Website Ko Sturkop - NL
Home | Over deze site | Genealogie | Paleontologie | Contact

 

De nieuwspagina

Hieronder volgen nieuwe vondsten en andere feiten, in aanvulling op de boeken Genealogie Sturkop & Sturhoofd, die in drie delen zijn verschenen, in 2009, 2011 en 2014. Deze gegevens worden direct verwerkt in de database (zie menukeuze links). Tussen de haakjes staan de verwijzingen naar de delen en hoofdstukken van die boeken.

De nieuwsitems staan in volgorde van datum: de meest recente berichten bovenaan.

Vanaf 17-7-2017 staan nieuwe items op de blog 'Genealogie Sturkop & Sturhoofd'.

16 juli 2017. De website www.delpher.nl stelde in juni 2017 een nieuwe oogst aan gedigitaliseerde tijdschriften beschikbaar, waarin de namen Sturkop en Sturhoofd veelvuldig voorkomen. In de nieuwsitems van 7 en 14 juli was daarover al een en ander vermeld; hier volgt de rest. Jansje Sturkop (Deel III – hoofdstuk 14) had, zoals bekend, het Joodse geloof verlaten en was Remonstrants geworden. Haar naam komt een aantal malen voor in De Christenvrouw, het orgaan van de Nederlandse Christen-Vrouwenbond. In mei 1927 werd Mevrouw Mijsberg-Sturkop ingeschreven als nieuw lid. In maart 1929 konden geïnteresseerden voor de leeskring zich bij haar opgeven; zij was de bibliothecaresse van de vereniging. Zij zat in het bestuur van de afdeling Bussum, althans dat blijkt uit haar aftreden uit dat bestuur in december 1932. In oktober 1934 werd zij namens de afdeling Bussum afgevaardigde in het comité ‘Magdalena-fonds’, dat werd gesticht om leden bij ziekte of behoefte aan rust financiële of andere hulp te verlenen. In juni 1935 zij genoemd als propaganda-adres voor dat fonds. Jansje is de enige naamgenoot die vaak vermeld staat als Stürkop. Van Salomon Sturkop (Deel II – hoofdstuk 10) was bekend dat hij zonder testament was overleden. Bij zijn dood in 1884 liet hij geen onroerend goed na, maar in 1873 (Kaapse tijd) kocht hij, als lid van een combinatie van diamantbewerkers, stadsgrond, teneinde daarop woningen te laten bouwen. De bondshistoricus voegde hieraan toe: ‘Waar blijven nu de lieden, die altijd de mond vol hebben over de verkwistende, aan-bankjes-zus-en zooveel-hun-sigaar-aanstekende-diamantslijpers?’ en ‘…want de meerderheid van ons industrieel voorgeslacht bestond uit fatsoenlijke mensen, die stellig het zich aan weinig zullen hebben laten ontbreken (waartoe ook geen reden bestond), doch allerminst een troep brooddronken geldsmijters vormden. Het kan dus zijn dat er wel degelijk onroerend goed was, dat ‘geruisloos’ overging naar zijn weduwe of naar zijn zoon Isaäc. Van Isaäc weten wij dat hij een zeer vermogend man werd. Over Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22 en het boek ‘Arts op vele fronten’) was het meeste al bekend. De tijdschriften bieden veel herhaling, maar sommige vermeldingen voegen nog het een en ander toe. Het blad De Arbeid (Revolutionair Weekblad van het Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland) schrijft (of citeert) soms andere linkse bladen, zoals De Tribune en Het Volk. In 1925 kopt het blad met ‘De ongeneeslijke Sturkop’, een artikel waarin zijn vaardigheid als bokser nog eens aan de orde komt: ‘Een zieke ambtenaar werd door dokter Sturkop begroet met ‘de welwillende veronderstelling, dat zijn ziekte zeer waarschijnlijk het gevolg was geweest van het aanlokkelijke nazomerweer en feestelijke stemming, waarin de stad verkeerde en wel bestaan zou hebben in een wandeling door Amsterdams feestvierende straten’. Er staat ook nog een zinsnede ‘dat vandaag of morgen een wat minder flegmatiek aangelegd slachtoffer … maar liever er toe overgaat de ‘kampioen bokser’ en oplawaai te geven, die hem althans voor enige dagen onschadelijk maakt. De man heeft reeds enige ervaring op dit gebied … misschien komt het een volgende maal wat harder aan!’ Het artikel besluit: ‘Meneer Sturkop, die kop van jou schijnt vervloekt hardleers te zijn’. Er is ook een onduidelijk artikel met de kop ‘Het concern Waldeck-Pyrmont – Van Mecklenburg – minister Kan – doctor Sturkop – Stenhuis – Steenvliet.’ Dat artikel lijkt erop te duiden dat Stephan Sturkop banden had met Koningin-Moeder Emma en Prins Hendrik. Dat hij Minister Kan (de vader van Wim Kan) kende en ook een oude maatschappelijke binding had met Prins Hendrik wisten we al. De reden waarom zijn naam in dit verband wordt genoemd blijft vaag. In 1928 beveelt De Arbeid de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel aaneen kunstgebit aan te schaffen, omdat die organisatie geen tanden toont in zijn optreden tegen ‘de dictator’ dr. Sturkop. Stephan Sturkop blijkt ook bedrijfsarts te zijn geweest bij de Electro Zuurstoffenfabriek, aldus De Syndicalist (Weekblad van het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond) in 1926. Iets later bericht het weekblad over een staking bij deze fabriek; een der eisen is dat de controle door dr. Sturkop ophoudt. Er dook een aardige, zij het vage foto op uit 1928 in Het Noorden in Woord en Beeld: Het voltallige comité Drentsche Venen poseert in het Paleis voor Volksvlijt. Het Maandblad van het Centraal Bureau voor Statistiek meldt in 1918 de oprichting te Amsterdam van een vereniging van geneeskundigen, welke is belast met de uitoefening van controle op de uitkering van gelden bij ziekte of ongeval. Aan dr. S. Sturkop is het secretariaat opgedragen van deze vereniging. Het Tijdschrift voor Verloskunde vestigt in 1914 de aandacht op het eerste nummer van ‘Ons Kind’, onder redactie van dr. Sturkop. Genoemd worden o.m. het stukje over het ingeven van geneesmiddelen aan kinderen (door redacteur Sturkop) en een reproductie van het schilderij ‘Moeder met slapend kind’ van Simon Maris. (Maris behoorde tot de groep kunstenaars met wie Stephan Sturkop nauwe banden had.) ‘Het geheel ziet er keurig en goed verzorgd uit; ook de omslag maakt een aangename indruk. En tot slot biedt het Weekblad van het Recht in 1918 een uitvoerige behandeling van de reeds bekende rechtszaak waarin dr. Sturkop als getuige optrad. Voornamelijk bekende feiten, maar soms een beetje ‘nieuw’ belicht. In het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond wordt medio 1897 een zekere M. Sturkop genoemd als wanbetalers m.b.t. de bondskas. Hij werkt bij de fabriek Van Moppes. Waarschijnlijk is dit Maurits (Mozes) Sturkop (Deel II – hoofdstuk 26), de oudere broer van mijn opa, die op jonge leeftijd stierf. Hij woonde toentertijd bij zijn oom Isaäc Sturkop, die ook bij Van Moppes werkte.
In datzelfde Weekbladstaan nogal wat familieberichten, die vaak wat meer licht doen schijnen op de familierelaties. Die gegevens worden t.z.t. verwerkt in de database. Voorts treffen we een groot aantal, vaak zeer lange lijsten aan in het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond. Ze bevatten de namen van hen die aan allerlei fondsen hebben bijgedragen of juist een uitkering wegens werkeloosheid of ziekte en ongeval ontvingen. Met vele bekende namen uit onze genealogie. Bij al deze vermeldingen stonden de ontvangen of uitgekeerde bedragen. Vooral bij de uitkeringen zal het niet altijd prettig zijn geweest je naam erbij te zien. Maar het gold voor velen, dus je was niet de enige die hiermee openbaar werd gemaakt. De ANDB heeft in de loop der jaren verschillende fondsen gekend, waaraan diamantbewerkers konden bijdragen. De gegevens hieronder zijn die welke in het weekblad werden aangetroffen; er zullen vast enkele aan de aandacht zijn ontsnapt. Ook deze informatie zal t.z.t. worden verwerkt in de database. Wel is hier te vermelden dat we hierdoor zien bij welke fabrieken of bazen onze naamgenoten werkten en voor welke bedragen zij moesten rondkomen. Zo maken we kennis met ‘het personeel van Sturkop & Veerman.
De ANDB besteedde veel geld aan uitkeringen. Vooral Isaac Sturkop (Deel II – hoofdstuk 27) werd door dat fonds veelvuldig ondersteund. Daaruit wordt duidelijk dat hij kennelijk een niet al te sterke gezondheid had. Ook werd uitgekeerd bij bevallingen en overlijden. Ook over de diamantbewerkers binnen de familie Sturhoofd werd tamelijk veel geschreven. Vermeldenswaard zijn de vermeende handelswijzen van Jacobus Sturhoofd (Deel II – hoofdstuk 38) en de nadere successen van Marcus Sturhoofd (Deel III – hoofdstuk 26) op hoog niveau in de damsport. Ook hun gegevens zullen worden opgenomen in de genealogische database.

14 juli 2017 – In mijn boek ‘Arts op vele fronten’ over dr. Stephan Sturkop werden in hoofdstuk 3 het metier en verwikkelingen van zijn vader behandeld. Ondanks uitgebreid onderzoek in o.m. het IISG te Amsterdam kon toen nog niet alles boven water gebracht worden met betrekking tot de professionele levensloop van vader Isaäc Sturkop (Deel II – hoofdstuk 29). Sinds juli 2017 biedt www.delpher.nl een aanvulling op de grote collectie gedigitaliseerde tijdschriften en daarin werden vele hits aangetroffen, vooral in het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond. Deze vondsten bieden een veel beter overzicht van het reilen en zeilen van deze juwelier-diamantair. In een nieuw document volgen die bevindingen, die het bovengenoemde hoofdstuk verregaand aanvullen en meerdere overgebleven vragen geheel of deels beantwoorden. Dat document kan worden opgevraagd.

7 juli 2017 – Op www.delpher.nl staat een nieuwe oogst aan gedigitaliseerde media, nu van tijdschriften, waaronder het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond. De edities van dat weekblad had ik in 2016 al doorgenomen bij het IISG in Amsterdam, maar het doorzoeken van microfilm aldaar was een omvangrijk werk en veel vermeldingen had ik gemist. Vooral over de diamantair Isaak Sturkop (deel II - hoofdstuk 29) kwam veel extra’s boven water en zelfs over zijn vader Salomon Sturkop (deel II - hoofdstuk 10) was er een interessante melding. Daarover later. Hier alvast nieuws over Jacob Sturkop (deel III - hoofdstuk 17). In het blad plaatsten Jacob en Esther een annonce vanwege hun ondertrouw op 23 november 1905, gevolgd door een aankondiging van de geboorte van hun zoon Alexander op 20 juli 1906. Dat Jacob prachtig kon zingen weten we al uit dat hoofdstuk en van zijn zoon Louis, maar dat hij een mooie bariton had blijkt uit een bericht uit december 1919 in het weekblad. Tijdens de feesten en plechtigheden voor het 25-jarig bestaan van de bond namen Henri Polak en Jan van Zutphen het woord, waarna: ‘als de stilte, na de ovatie […] is weergekeerd, horen de aanwezigen plotseling met een schoon baritongeluid een toepasselijk lied zingen, op de melodie van ‘Les Rameaux’. Het was onze jonge vakgenoot Jacob Sturkop, die dit ten gehore bracht en daar een hartelijk applaus voor in ontvangst had te nemen.’ De 'jonge' Jacob was toen 36 jaar. Ruim 10 jaar eerder verscheen een ingezonden stuk van de diamantbewerker Waas, die Jacob heftig beschuldigde van een nare grap. Onder de titel: ‘andere boevenstreken’ schreef Waas: ‘Enige tijd werkeloos zijnde en vader van negen kinderen, liep ik j.l. vrijdag te kijken of enig werk voor mij te vinden was. Zo lopende werd ik staande gehouden door de heer Jacob Sturkop. Dit heerschap zie tot mij “ik heb een brief van mijn vader ontvangen, waarin staat, dat ik u naar Antwerpen zal sturen, daar er voor elf maanden werk is”. De blijdschap in mijn gezin was groot bij het vernemen van deze tijdig, maar het nodige geld ontbrak mij. Door enige mensenvrienden geholpen, ging ik zondagmorgen met geld voor enkele reis op zak, geen boterham bij mij, geen schoen aan de voet, van huis. In Antwerpen aangekomen, trof ik de vader van bovengenoemde heer en zei tot hem: “hier ben ik”. Mijnheer Sturkop, mij vreemd aankijkende, vroeg wat dit betekende. Hierna hem alles vertellende, zei hij van niets te weten. Daar stond ik, zonder geld om terug te gan. Veel uitweiden over de zaak wil ik niet meer, doch mijnheer Sturkop, die deze aardige grap uithaalde, slechts mijn dank zeggen.’ Een maand later reageerde Jacob in het weekblad op Waas’ beschuldiging: ‘Het is zeer begrijpelijk, wanneer iemand ergerlijke gemeenheden worden aangedaan, dat men zoiets aan de kaak tracht te stellen […]. Maar naar mijn mening is er dan pas aanleiding plaatsing te verzoeken voor een stukje, als er redenen toe bestaan. En nu wil ik heel even in het kort aan mijn vakgenoten doen zien, dat er voor de heer Waas niet de minste aanleiding toe bestond. […] Waar was een van die diamantbewerkers die nagenoeg nooit werkten. Op een zekere dag ontmoette ik hem […] en bracht hem onder het oog, dat er nu wel alle kans zou bestaan ook voor hem om aan het werk te komen. Ik deed pogingen om hem een baas te bezorgen, wat mij dan ook gelukte. In de loop des tijds bekwaamde Waas zich dermate, dat hij een solide vakgenoot werd. Zo kwam het , dat ik Waas wel eens ontmoette en altijd informeerde hoe hem ging. Het deed mij goed, als ik van hem vernam, dat hij zijn brood verdiende. Ik, die zijn toestand van vroeger kende, en nu er toe meegewerkt te hebben, dat hij in betere doen kwam, voelde mij inderdaad gelukkig. Een paar weken geleden was ik in Antwerpen en zeer toevallig sprak ik met mijn vader over Waas. Mijn vader droeg mij op, toen ik weer naar Amsterdam ging, Waas op te zoeken en als deze geen werk had, hem in overweging te geven naar Amsterdam te gaan. Hij zou dan zeer waarschijnlijk bij mijn vader en zo niet door bemiddeling van mijn vader aan het werk komen. Zodra ik hier in de stad was, ging ik naar Waas zijn huis; ik trof hem niet aan, waarna ik hem enige malen nog opzocht en hem telkens niet thuis vond. Enige dagen daarna ontmoette ik Waas op straat en stelde hem in kennis van de boodschap, die ik voor hem had, er bij zeggende, dat het nu zeer wisselvallig was geworden aangezien reeds enige dagen verstreken waren. Waas zie mij toen, toch voornemens te zijn geweest naar Antwerpen te vertrekken, wat hij dan ook deed. Toen Waas buiten kwam, vroeg mijn vader hem, of hij inderdaad zich in Antwerpen wilde vestigen en zo zulks het geval was, dan zou hij kunnen werken. Deze vraag stelde mijn vader hem naar aanleiding van het feit, dat gereedschap verzorgd moest worden. Waas gaf in bevestigende zin hierop antwoord, en ging bij mijn vader aan het werk. Onmiddellijk gaf mijn vader hem 10 francs. Na enige dagen gewerkt te hebben, veranderde Waas van patroon. Hoe Waas er nu toe komt, zulk een schunnig, ingemeen stukje te schrijven, is iets, wat aan krankzinnigheid doet denken. Ik heb er beslist geen begrip van, hoe Waas hiertoe is gekomen. Was het Waas er misschien om te doen, dat de vakgenoten hier medelijden met zijn gezin kregen en dat zij dat in klinkende munt zouden omzetten? Het heeft er wel iets van weg. Het was nodig, dat ik enigszins omstandig de dingen heb meegedeeld, omdat een aantal van mijn vakgenoten mij inderdaad het zeer lastig maken. Ik tart Waas nu tegen te spreken, al hetgeen ik hier heb geschreven. Doet hij dat niet, en zulks kan hij eenvoudig niet, dan is hij ontoerekenbaar of de verpersoonlijking van perfiditeit.’ Afgezien van dit weerwoord valt het mooie Nederlands van Jacob op (de spelling heb ik aangepast aan de hedendaagse). Het geeft ook blijk van wederzijds bezoek tussen de familieleden. Bovendien zien wij dat Jacobs vader Alexander Sturkop (deel II - hoofdstuk 28) in Antwerpen tamelijk zelfstandig werkte: het lijkt erop dat hij baas (eigenaar van molens) was in een fabriek aldaar.

27 juni 2017De in het boek over dr. Stephan Sturkop beschreven gedwongen verkoop door zijn moeder Hanna Sturkop-Roeg (zie Deel II - hoofdstuk 29) is vastgelegd in een overzicht, waaruit blijkt dat zij afstand had moeten doen van de panden de panden Muiderschans 114-122, Alexanderplein 2 en Alexanderstraat 1-6. De Muiderschans was de naam die de bezetter had gegeven aan de Sarphatistraat. De verkoopprijs was f. 175.000,-- en het onroerend goed was aangekocht door de makelaar J.N. Brouwer. De voorlopige verkoopdatum: 25-1-1943 (zij woonde nog bij haar dochter in Voorburg); de definitieve verkoopdatum 14-5-1943. Maar toen was zij al in Sobibor om het leven gebracht. Ook als Alexander Sturhoofd (zie Deel III – hoofdstuk 27) moest afstand doen van zijn pand aan de Ansdrieszstraat 11 (de bezetter had de naam van de Spinozastraat aldus veranderd), dat op naam stond van zijn firma Sturhoofd & Co. Ook dit pand kwam in het bezit van de makelaar J.N. Brouwer, tegen een bedrag van f. 13.000,--. , Johannes Vermeestraat 65 Amsterdam. De definitieve verkoopdatum was 9-5-1943. En ten slotte lezen wij dat Salomon Gobes (Zie Deel II Appendix D) 13 huizen bezat in Bussum, Blaricum en Laren. Zijn vrouw Grietje Gobes-van Esso, die in Bussum woonde, had er nog twee in Apeldoorn. Ook zij moesten gedwongen afstand doen van die bezittingen. Van vier van die panden (een in Bussum; een in Blaricum; twee in Apeldoorn) is de ‘verkoop’ vastgelegd in bovenstaand overzicht.

24 juni 2017Het tweede deel in de artikelreeks over de operazangeres en zangpedagoge Mietje Walewijk alias Marie Walewijk alias Marie Gomez, echtgenote van Jacobus Gobes (Deel  II – hoofdstuk 4) is verschenen in Misjpoge, editie 2017-02. Het behandelt hun leven en loopbaan in België, hun verblijf tijdens de oorlog in Suriname en hun terugkeer naar Brussel. Deel 3 zal beschrijven hoe zij België ontvluchtten en in uiteindelijk in Suriname terechtkwamen. www.delpher.nl onthult steeds meer. Zo zien wij dat de gemeente Amsterdam in 1849 onder anderen Koopman Alexander Sturkop (Deel I - hoofdstuk 20) en zijn zwager Levie Mozes de Hond aanklaagden, omdat zij niet het onderhoud van de wallenkanten voor hun bedrijven op zich namen. Het kantongerecht veroordeelde hen, maar in februari 1850 verwierp de Hoge Raad dat vonnis. In delpher lezen wij ook nog meer over dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22). Zo hield hij in 1938 een radiopraatje voor de radio, waarbij hij, als secretaris van de Stichting Harmonische Lichaams Ontwikkeling, vertelde over deze vereniging. Verder zien wij dat zijn verloofde Cor Kleman en hij in juli 1904, de maand na hun verloving, samen in Zandvoort verbleven, in Pension de Roos; zij hadden daar elk een kamer. En in het boek over Stephan Sturkop wordt gesproken over de familie Inpijn en de vraag hoe het kwam dat deze familie zulke nauwe banden had met Sturkop en de zijnen. Eén der mogelijkheden was dat de indertijd zeer bekende wielrenner Cor Blekemolen (gehuwd met Truus Inpijn) optrad bij de wielervierdaagsen, een evenement waarbij dr. Sturkop jaarlijks de stadionarts was. Blekemolen vervulde later een rol in het bioscoopwezen en we zien dat dr. Sturkop in de filmkeuringscommissie zat. Dat lijkt daarom vooral de link te zijn tussen beide families. In elk geval had Stephan Sturkop altijd gratis bioscoopkaartjes.

20 december 2016Teneinde ruimte te beparen op de website van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie, zijn de buurtkaarten (zie hieronder: 29 december 2015) verplaatst naar mijn eigen domein en aldaar in te zien.

10 december 2016 – Het eerste artikel over de operazangeres Mietje Walewijk alias Marie Walewijk alias Marie Gomez, echtgenote van Jacobus Gobes (Deel  II – hoofdstuk 4) is verschenen in Misjpoge, editie 2016-04. Het behandelt haar opkomst en de successen in Nederland en in het buitenland, in de periode dat zij in Amsterdam, Parijs en Den Haag woonde. De twee volgende artikelen zullen in toekomstige edities van Misjpoge verschijnen. Dan volgen we haar leven in Brussel, de lange vlucht naar Suriname in de Tweede Wereldoorlog, haar verblijf in Paramaribo en tot slot haat terugkeer naar België. Het boek ‘Arts op vele fronten’, over dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22) is thans verkrijgbaar bij www.lulu.nl. Dit levensverhaal omvat 372 pagina’s en is rijk geïllustreerd. Deze Amsterdamse arts stond in de jaren twintig bekend als de controlerend geneesheer die zieke arbeiders onverwijld terugstuurde naar hun werk, genezen of niet. Dit was het enige dat bekend was bij de schrijver, voordat het onderzoek naar deze dokter van wal stak. Over die reputatie kwam veel boven water: heftige disputen in de kranten, onder de medici en met de vakbonden. Deze polemiek haalde zelfs enkele jaren de Tweede Kamer. Geen wonder dat een fors hoofdstuk is gewijd aan wat de ‘Kwestie-Sturkop’ zou gaan heten. Algauw bleek dat zoveel meer te vertellen was over deze energieke en vasthoudende man, die zich al zeer jong ontplooide als bevlogen initiatiefnemer, organisator en bestuurder. Al in zijn studententijd nam hij vele bestuurlijke functies op zich, tot in de Senaat aan toe. Hij groeide op in een welgesteld gezin en te midden van indertijd nationaal bekende kunstenaars, vooral in de toneelwereld. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij bekend als leider van gewondentransporten en vooral als de motor achter het tot stand brengen van ambulancetreinen. Al tijdens de mobilisatie legde Stephan Sturkop de grondslag voor de ziektecontrole en nam hij bestuurlijke functies in de medische wereld op zich. Als kunstminner onderhield hij – vaak vriendschappelijke – banden met de kunstschilders en andere artiesten van zijn tijd en stond bekend als mecenas van velen onder hen. Naast zijn rol in de organisatie van de medische wereld trof men hem aan als medeoprichter en sturende factor in maatschappelijke organisaties, zoals de Vereniging Nederland-Polen, het Initiatief Comité Amsterdam en bij vele liefdadige evenementen. Daarnaast bracht zijn voorliefde voor sport hem als sportarts en jarenlang als drijvende factor bij de Stichting Harmonische Lichaams Ontwikkeling. Na de Tweede Wereldoorlog, die niet zonder zware schokken aan hem voorbijging, richtte hij de Landelijke Huisartsen Vereniging op en bleef daarnaast actief als redacteur van ‘Medisch Contact’ en in talrijke organisatorische neventaken voor de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunde. Wie een groot feest wilde organiseren kon altijd terecht bij Stephan Sturkop. De waardering voor zijn veelzijdig werk en onvermoeibare inzet blijkt uit de vaak hoge onderscheidingen die hem werden toegekend. In het kwartaalblad Benjamin, jaargang 28 – nr. 106, verscheen in de reeks ‘Achternamen’ een artikel over de familienaam Sturkop, een samenvatting van Deel I van onze genealogie.

8 juli 2016 – Ik noem het oneerbiedig een ‘bijvangst’: je onderzoekt je eigen familie en krijgt een interessante, aangehuwde persoonlijkheid cadeau. Een genealogische speurtocht is altijd aardig om te doen. Eerder schreef ik al over de Amsterdamse operazangeres Mietje Walewijk (Deel II – hoofdstuk 4 en Appendix), die algauw als Marie Walewijk en ten slotte als Marie Gomez door het kunstleven ging. Binnenkort verschijnt – hopelijk – in twee edities een artikel van mijn hand over haar in Misjpoge. Dat zij de aandacht trok was omdat zij gehuwd was met ons familielid Jacobus (Kootje) Gobes. Haar leven was goed te volgen, omdat het digitale krantenarchief veel over haar te bieden heeft. Haar loopbaan in binnen- en buitenland is indrukwekkend. Door de enthousiaste medewerking van een medewerkster van de Universiteit van Amsterdam (zij beheert de archieven van het voormalige Theaterinstituut) dook niet alleen een toneelfoto van haar op, maar kunnen wij haar ook nog beluisteren via een bewaard gebleven geluidsfragment. Vanaf 1921 woonde het echtpaar Gobes-Walewijk in Brussel en tot medio de jaren dertig is haar loopbaan als zangeres, maar ook als zangpedagoge, goed te volgen. Daarna zwijgen de (Nederlandse) kranten, voor zover tot nu toe bekend. Onderzoek was hoe dan ook soms lastig, omdat vele anderen de naam Marie Gomez of Gomes dragen. Maar ze dook op in de Surinaamse kranten. Daaruit leren wij dat zij en haar man in januari 1946, als repatriërende oorlogsvluchtelingen, naar Amsterdam varen. Even leek het erop dat zij lang in Suriname was gebleven, want naamgenoten van haar haalden de periodieken. Was zij toch in dat land gebleven en hoe is het met haar en de haren afgelopen? Eind februari kwamen zij echter in Nederland aan, maar dan stoppen de annalen. Een hint hielp ons verder: met hen reisde een zekere mevrouw Finkelstein-Gobes mee, met haar man en hun twee kinderen. We wisten al dat Marie Walewijk een dochter had, ergo… Omdat het voor de hand lag dat men zich weer in Brussel zou vestigen, werd gezocht naar die naam Finkelstein in België, echter zonder hits die Marie op het spoor zouden brengen. Het Rijksarchief in Brussel bood concrete aanwijzingen: zij maakte zowel de achternamen als de voornamen bekend van de dochter en die van haar echtgenoot en hun zoon en hun dochter. De dochter van Marie kon al niet meer in leven zijn, maar met behulp van de voornamen van de kinderen werd de speurtocht via internet voortgezet. Beiden bleken helaas overleden te zijn, maar in het overlijdensbericht van de dochter (zij was in 1944 in Suriname geboren) stond de naam van haar echtgenoot. Ook diens woonplaats stond er bij en dus kon het telefoonboek worden nagepluisd. Hem een brief gezonden, waarop met verbazing werd gereageerd. Maar hij was inderdaad de weduwnaar van Marie’s kleindochter. Dit contact resulteerde erin dat ook de weduwe van de kleinzoon van Marie zich kon mengen in de uitwisseling van gegevens. Foto’s kwamen ter beschikking – waaronder van Kootje Gobes, die een treffende gelijkenis vertoont met de beschrijving die een familielid mij lang geleden van hem af. Maar ook andere wetenswaardigheden, zoals het voortzetten van Marie’s werk als zanglerares na de oorlog en haar ontmoeting in Parijs met Pablo Picasso. Momenteel wordt in België een relaas van bijna 250 pagina’s doorgeworsteld, waarin Marie’s dochter de vlucht uit België heeft beschreven en hoe men uiteindelijk, na te voet de Pyreneeën te zijn overgestoken, zich in Spanje kon inschepen naar Suriname. Ondanks deze toegevoegde informatie blijkt weer eens hoe snel familiegeschiedenis in de vergetelheid raakt: de Belgische nazaten zijn stomverbaasd over de loopbaan van Marie Walewijk, die bij hen allang was vervaagd of zelfs geheel verdwenen was.

1 mei 2016 – Dat Nico Roeg (Deel II – hoofdstuk 29) in Londen uitgroeide tot een der grote diamanthandelaren wisten wij. Wat niet bekend was, is dat hij zich op de planken waagde, in de voetsporen van zijn illustere grootvader, de komiek en theaterdirecteur Nathan Judels. Overigens was Nico’s vader Isaäc (Jacques) Levi Roeg, ook jarenlang acteur, evenals diens beide zusters. In mei 1885 werd in Amsterdam een nieuw toneelgezelschap gevormd, onder directie van Frits Bouwmeester, Nico Roeg en de musicus Jacques Benavente. De laatstgenoemde was en bleef jarenlang bekend. Bouwmeester was een neef van de befaamde acteur Louis Bouwmeester. Niet zo vreemd dat Nico Roeg bekend was met de Bouwmeesters: Louis Bouwmeester was geruime tijd compagnon van Nathan Judels. Kort daarop traden de heren Nico Roeg en Jacques Benavente op in Maison Stroucken. In Amsterdam is tot dusverre niets bekend over Nico’s voorzetting van die kunstzinnige loopbaan, maar meer dan 25 jaar later zien we dat Louis Bouwmeester in Londen, door tussenkomst van Nico Roeg, ging optreden in de Britse hoofdstad, waar hij vele jaren rollen in Shakespeare zou vervullen. Bouwmeester: ‘Daar was ik dus te Londen, tot vreugde van mijn ouden vriend Nico Roeg, ge kent hem, den bekenden diamanthandelaar hier, die beweerde dat ik het al jaren geleden had moeten doen’.

24 april 2016. Van de driedelige genealogie Sturkop & Sturhoofd is een verkorte versie uitgegeven, verkrijgbaar via www.lulu.nl. Deze versie – 100 pagina’s – beperkt zich tot de rechtstreekse voorouders van (de vader van) de schrijver, een zogeheten stamreeks. In principe dus alleen van belang voor de naaste verwanten. De archieven blijven nieuwe informatie rondstrooien. De voorbereiding van het boek over dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22) is bijvoorbeeld verder verbeterd door het archief van H.E.B.E. (Literair dispuutgezelschap van het Amsterdams Studenten Corps). En hij prijkt op de voorkaft van het boek 'Ridders van het Rembrantplein', op een foto uit 1901 van de inauguratie van H.E.B.E. (het allereerste jaar van dat gezleschap). Er is ook een geheel nieuwe oogst van het historisch krantenarchief www.delpher.nl. We hadden al een foto van hem achter de bestuurstafel van het Amsterdamsch Studenten Corps, uit 1905. Weer vol met nieuwe gegevens, zoals over de bovenstaande dokter, die kort na de oorlog alweer met van alles bezig was, zoals het begeleiden van 500 Nederlandse kinderen op een uitstapje naar Zweden. Ook op Stephans broer, Nico Sturkop (Deel III – hoofdstuk 25), komt daardoor aanvulling: na WO-II is hij, als kapitein der infanterie, verantwoordelijk voor de administratieve afwikkeling van de kampen op Java en verdere naoorlogse functies in Indië. Alexander Sturkop (Deel III - hoofdstuk 13) was getuige in een rechtszaak. Over hem wordt in België gevraagd – hij wordt genoemd in een groepje ‘ongure elementen’ –, hem liever in Nederland te houden. En een fraaie foto van Ans Sturkop (Deel III – hoofdstuk 36), als wicketkeepster bij een cricketwedstrijd. Dat Isaäc Sturkop (Deel II – hoofdstuk 29) er warmpjes bij zat wisten we, maar dat hij tot de hoogst aangeslagenen van Noord-Holland behoorde? Enzovoort. Ook over de familie Sturhoofd kwam verdere informatie beschikbaar. Op zoek naar het lot van Jacobus Gobes (Deel II – hoofdstuk 4 en Appendix), in de wandeling Kootje Gobes, stuit men op zijn echtgenote Mietje Walewijk, die als operazangeres nogal bekendheid verwierf in Nederland en in het buitenland. Zij werd bekend onder de artiestennamen Marie Walewijk en Maries Gomez. Over haar is een artikel van mijn hand in het kwartaalblad Misjpoge in voorbereiding. Nu we toch over artiesten spreken: in de naaste familie van Stephan Sturkop (hierboven) was een zekere Jetje Goudeket (Juliëtte Henriëtte Goudeket), die in Amerika, onder de naam Jetta Goudal, tot de grootste sterren van de stomme film behoorde. Zij stak supersterren zoals Gloria Swanson en Pola Negri naar de kroon. Over haar is zoveel bekend, dat een andere schrijver een boek annex dvd over haar leven in voorbereiding heeft. En van Salomon Gobes (neef van Kootje Gobes, hierboven), weten we inmiddels hoe hij zijn kapitaal verspeelde, waarom hij naar België vertrok en wat het lot van zijn gezin werd. Dit alles door een dvd over het leven van zijn dochter, dat in mijn bezit kwam.

6 maart 2016. Soms moet je een klein beetje geduld hebben. Meer dan 30 jaar geleden benaderde ik een nauwe verwant – maar mij onbekend – familielid, met het verzoek om informatie over zijn grootmoeder, een zus van mijn grootvader. Ik kreeg nooit antwoord. Nu ontving ik alsnog, van degenen die de brief na jaren hadden aangetroffen, veel gegevens. Maar vooral een foto van Rosalie van Straten-Sturkop (Deel III – hoofdstuk 5), deze grootmoeder, was welkom. Ik had ooit al foto’s van de beide andere zussen van mijn opa gekregen van hun nakomelingen, maar nu zijn zij gedrieën weer te zien. Overigens ontdekte ik een storende fout op pagina 32 van Deel III: het is niet Rachel Vonk: Anna Vonk is de naam.

Bij de voorbereiding van het boek over dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22) bezocht ik de redactie van het studentenblad Propria Cures en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). In Propria Cures staat veel over de talrijke bestuursfuncties die Stephan binnen en buiten de Senaat van het Amsterdamsche Studenten Corps vervulde, alsmede zijn rol in het toneelleven in die periode. Dat bracht ook elders nog het een en ander aan het licht, waaronder fraaie foto’s uit die tijd. Bij het IISG werd via het Weekblad van de ANDB en het Archief van de ANDB veel verhelderd over de rol in de diamantwereld van Stephans vader, Isaäc Sturkop (Deel II – hoofdstuk 29).

Uit het fraaie boek Hier woonden wij, over de Joodse bevolking aan de Harstenhoekweg in Scheveningen (zie nieuwsitem hieronder van 20 augustus 2014, leren we hoe in 1916 de diamanthandelaren op Sabbat langs de Noordzeekust vertoefden; het biedt een beeld van Isaäc Sturkop (Deel II – hoofdstuk 27), die daar toen woonde. De foto van Engelina van Adelsbergen-Sturkop (Deel III - hoofdstuk 10) is in dat boek opgenomen en daarbij wordt verteld hoe zij regelmatig indertijd vrij bekende fotografen over de vloer kregen. Hadden zij ook in die woning een pension?

17 februari 2016. Het vermakelijke verhaal over Levie Sturkop (Deel II - hoofdstuk 13), die hopeloos verdwaald was in Parijs, blijkt een fraaie tekening van hem te bevatten. Deze tekening was opgenomen in het boek 'Ghetto Gijntjes', uitgegeven in 1905; daarmee werd een serie oudere verhalen gebundeld. Levie Sturkop leefde in dat jaar allang niet meer; we moeten er maar van uitgaan dat de tekenaar zelf een beeltenis voor ogen had.

15 januari 2016. In de familie waarde de legende rond over mijn overgrootvader Paul Emile van Straalen (Deel III - hoofdstuk 7). Een feit was dat hij, als scheepskok, zijn gezin verliet en nooit meer terugkeerde. Men dacht te weten dat hij uiteindelijk in Engeland was beland en daar op hoge leeftijd - 100 jaar - was gestorven. Dank zij internet weten we nu zeker: hij stierf in 1936, in Fylde, Lancashire. De honderd heeft hij niet gehaald; hij werd 80 of 81 jaar. Helemaal nieuw is dat hij daar in 1929 nog in het huwelijk trad. De andere legende, dat hij 21 kinderen bij overoma zou hebben gehad, was al jaren geleden via archiefonderzoek ontkracht.

5 januari 2016. Mozes alias Maurits alias Morris Sturkop (Deel III - hoofdstuk 12) vestigde zich in 1916 in de USA. Dat wisten we en ook dat hij varensgezel was. De vraag was: waarom? Los van andere mogelijke redenen voerde Duitsland op de Atlantische Oceaan een duibootoorlog, vooral tegen civiele schepen. Geen prettig vooruitzicht om dan het ruime sop te kiezen, wanneer je net in New York bent aangekomen.

29 december 2015. De buurtkaarten van de Amsterdamse Jodenbuurt, zoals die als appendix zijn opgenomen in Deel I van de Genealogie Sturkop & Sturhoofd (zie: Gepubliceerde boeken, links in het menu) zijn bewerkt in de vorm van webpagina's, waardoor men snel de straten, grachten en pleinen kan opzoeken en door de buurtpagina's heen kan navigeren. Zie: http://www.nljewgen.org/buurtkaarten-van-de-amsterdamse-jodenbuurt/

13 november 2015. Dankzij de digitalisering van de archieven van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) kon een grote hoeveelheid wetenswaardigheden worden toegevoegd aan het voorzitterschap van die vereniging door dr. Stephan Sturkop. Deze informatie rechtvaardigt een geheel apart hoofdstuk in het boek over hem dat op stapel staat en voegt veel aan zijn persoonlijkheid en activiteiten toe, evenals vroegere publicaties waarin hij als voorzitter van de LHV nog meer uit de verf komt. Met dank aan de bereidwillige hulp door deze vereniging geboden.

15 oktober 2015. Dankzij het kwartaalblad Misjpoge, editie 2015-4, is weer iets meer kleur toegevoegd aan de genealogie. Geschreven werd al over de familie Nijkerk-Sturkop (Deel II – hoofdstuk 11). Daarin komt Kobus Lob voor, eigenaar van de indertijd bekende plateelbakkerij ‘De Distel’. (Hij was een zwager van Koopman Nieuwkerk/Nijkerk), een zoon van Duifje Sturkop. Daaruit leren we: ‘De Distel’ was gevestigd aan de Nieuwe Lijnbaansgracht 35-36-37 (later Valckenierstraat). 'De Distel' was in 1895 opgericht door Jacobus Mozes Lob. Het was de enige joodse aardewerkfabriek in Nederland. Meyer Sluyser: 'De vrouwen gingen zich kleden in terracotta rokken en zwart fluwelen bloesjes, met een grote platelen broche van 'De Distel' als enige versiering'. 'De Distel' maakte ook tegeltableaus, in Art Nouveau stijl, die nog terug zijn te vinden in de Diamantbeurs en American Hotel. Ook de Bijenkorf en Krasnapolsky bestelden daar zulke tableaus. Dit brengt ons bij het volgende: Jacobus Th. Stom, een broer van een schoonzoon van dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22), was directeur van Krasnapolsky. Het plateel zal hoe dan ook wel in dat hotel zijn terechtgekomen, maar toch...  De vader van deze arts was actief lid van de diamantbeurs. Ook daar kwamen plateelplateaus van 'De Distel' terecht. We wisten al dat Jacob Sturkop (Deel III – hoofdstuk 17) lid was van een tamelijk bekend mannenkoor. We wisten ook dat zekere heren Roeske en Smeer daar deel van uitmaakten. Nu blijkt dat Frederik Roeske en Meijer Smeer in die jaren bekendheden waren in de zangwereld. (Met dank aan Frits Slicht). Tevens hebben we een verklaring waarom twee zoons van Alexander Benjamin Sturhoofd (Deel II – hoofdstuk 19) een nagenoeg dezelfde naam hadden: Jacobus en Jacob (Benjamin). Ze zijn vernoemd naar verschillende voorouders: eén opa die Jacob heette en een overopa genaamd Koopman. (Met dank aan Harmen Snel.) Ten slotte Rosette Booleman-Sturkop (Deel III – hoofdstuk 23). In 1904 schreef haar moeder een weemoedige brief aan haar pasgehuwde en naar Brussel verhuisde dochter. Daarin vertelde zij over Moos Konijn. Nog nú spreken de Brusselse nazaten over de ‘Konijntjes’. We wisten al dat Mozes Konijn een zwager was van die dochter, maar nu is de loopbaan van de heer Konijn bekend. In het jaar na het schrijven van die brief was hij al firmant van de firma M.H. Boas, een toonaangevende pionier op het gebied van geconserveerd buitenlands voedsel. Later was hij de enige eigenaar. (Met dank aan Kees Boas).

14 september 2015. Altijd treffen we weer een nieuwe digitale bron aan, nu van kranten en adresboeken uit Haarlem en omstreken. Los van de al bekende feiten duikt toch weer nieuws op. Zo zien we Marcus Sturhoofd (Deel III – hoofdstuk 26) in 1919 en 1920 in Haarlem alweer aardige resultaten behalen in de damcompetitie. Maar vooral twee mooie foto’s: Ans Sturkop (Deel III – hoofdstuk 36) in actie tijdens een damescricketwedstrijd en haar tweelingzus Coks Sturkop (Deel III – hoofdstuk 37) als een van de vijf gymnasiasten die bij de nationale zwemwedstrijden in het Zuiderbad te Amsterdam de 5 x 25 meter estafette vrije slag wonnen. Van Ans wisten we dat zij goed cricket speelde; dat Coks naast haar prestaties met schoonspringen ook snel te water was, is nu ook duidelijk. Over Nico Sturkop (Deel III – hoofdstuk 25) werd al zoveel geschreven, maar naast de gebruikelijke artikelen over hem als veelvoudig Nederlands kampioen schoonspringen, zien we hem nu als sergeant van de Koninklijke Nederlandsche Weerbaarheid-Vereeniging (KNWV) met zijn manschappen tijdens de demonstratie ‘gymnastische standen’ veel ‘eer van zijn werk hebben’. Daarbij is het de bevestiging dat hij net als zijn oudere broer actief was in de KNWV. Als lid van de KNWV blijkt Nico ook niet alleen goed in schoonspringen te zijn, maar hij wint ook een wedstrijd snelzwemmen op de borst over 50 meter. ‘Hun sergeant werd eerste, hetgeen niet meer dan behoorlijk is, vooral wanneer men in aanmerking neemt, dat het Sturkop, Nederlands kampioen in het schoonspringen, was. Sturkop bleek een flinke snelheid te kunnen ontwikkelen; hij legde de 50 meter in 41 2/5 seconde af, terwijl de beste van z’n manschappen 9 seconden meer nodig hadden.’ En wederom is hij bij verscheidene waterpolocompetities scheidsrechter. Ans Reinders-Sturkop vertelde mij ooit het verhaal dat tijdens een demonstratie schoonspringen door Nico de duikplank het begaf en hij met plank en al in het water belandde. Niet slechts een familiemare, maar: ‘Helaas was de springplank op de duiktoren niet bestand tegen de sprongen en het afzetten van de kampioenspringer, waardoor men spoedig genoodzaakt was de andere plank te gebruiken.’ Sebastiaan Sturkop (Deel II – hoofdstuk 31) stond vaak in de krant als makelaar. Hij werkte, zo blijkt, ook buiten Amsterdam, want men kon bij hem terecht voor de veiling van de Villa ‘Lilliput’ in Zandvoort. Ten slotte zijn er veel berichten over Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22). Zandvoort was ook voor hem in de vroege jaren aantrekkelijk, dat wisten we al, maar in 1904 wordt hij met zijn zwager (de broer van zijn verloofde) als badgast genoteerd in Pension de Roos te Zandvoort en in de zomer van 1910 arriveren zijn vrouw en hij als badgasten in Groot Badhuis, in dezelfde plaats. Ook zien we de bevestiging dat hij de befaamde wielrenner Cor Blekemolen kende, die later nog een rol in zijn leven speelde. Verder legio meldingen met al langer bekende inhoud.

23 juli 2015. Het huizenonderzoek levert een groot aantal percelen op die in het bezit van de familie waren. Isaäc Sturkop (Deel II – hoofdstuk 29) investeerde zijn inkomsten als diamantair aanvankelijk in individuele woningen, maar toen rond het begin van de twintigste eeuw stadsuitbreiding plaats vond en de Oosterparkbuurt gestalte kreeg, kwamen daar enkele projecten in zijn bezit. Van Duifje Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 11) wisten wij al dat zij enkele panden erfde van wijlen haar echtgenoot en haar schoonzus Berendina Sturkop-Polak (Deel II – hoofdstuk 13) had eveneens een aantal panden. Judic Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 8), ten slotte, had een flink aantal terreinen, pakhuizen, loodsen en woningen aan de Houtkopersburgwal, waar zij haar handel in turf en hout had. Ook aan de Oude Schans, de Batavierstraat en de Weesperstraat had zij percelen in bezit. Vlak voor haar overlijden deed zij het meeste van de hand en ging wonen in een koopwoning aan de Kloveniersburgwal. Ook aan de kant van Sturhoofd is enig huizenbezit aangetroffen.

28 mei 2015. Het kadaster van Amsterdam levert een groot bezit aan woningen van één onzer naamgenoten op. Deze gegevens zullen in de genealogie worden verwerkt. Het is altijd opnieuw verrassend hoeveel documentatie nog bij mensen thuis ligt. Onlangs kwam uit een nalatenschap nog een fiks aantal foto's en andere documentatie met veel nieuwe informatie over een aantal naamgenoten boven water. De erven wisten niet wat de band tussen hen en de betreffende familie was geweest.

16 mei 2015. Het boek over Dr. Stephan Sturkop (Deel II – hoofdstuk 22) vordert gestaag. Telkens opnieuw duikt nieuws op, tot een Polygoonfragment aan toe. Over de Amerikaanse naamgenoten is veel nieuws gevonden op www.newspapers.com. Behalve veel krantenberichten over Morris, Bernard en June Sturkop (Deel III – hoofdstuk 32) treffen we ook veel informatie aan over de drie artiestenbroers Nick, Jules en Charles Judels en andere verwanten (Deel II – hoofdstuk 29). Er is een groot aantal hits op May Judels, Charles' dochter, die na een kunstschaatsloopbaan een decennium lang de regisseur was de befaamde schaatsmusicals van meervoudig Olympisch kampioene Sonja Henie.

1 december 2014. De historische kranten blijven steeds weer meer nieuws opleveren. Een van dé redenen om ooit aan genealogie te beginnen was de overlevering in onze familie dat overopa Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 22) zich van het leven had beroofd, nadat hij naar aanleiding van een uit de hand gelopen grap door zijn werkgever was ontslagen. Hij was diamantslijper en zou tijdens een bezoek van de Sjah van Perzië aan de diamantslijperij waar hij werkte een bakje water over diens hoofd hebben uitgestort. Zijn doodsoorzaak kon later inderdaad worden bevestigd en de verhalen rond hooggeplaatst bezoek bleken inderdaad ook op waarheid te berusten. Nu lezen we in de krant uit juni 1889 het volgende: ‘Toen Dinsdagmiddag de Schah van Perzië de diamantslijperij van den heer Daniëls in de Zwanenburgerstraat te Amsterdam had verlaten en de stoet zich in beweging zette, was een der slijpers zoo slecht een bus met water uit een bovenverdieping op het gezelschap te werpen zonder iemand te raken. De burgemeester, die juist onder dat raam stond, werd door den inhoud getroffen. De heer Daniëls, die weldra met het gebeurde bekend was, wist den dader te ontdekken en ontsloeg hem onmiddellijk uit zijn dienst. Door de politie werd hij geboeid weggeleid.’ Dit is een van die zeldzame momenten dat een (helaas droevig) bewaarheid wordt. Iemand die in die tijd op die manier werd ontslagen kwam in het kleine wereldje van de diamantbewerking niet meer aan de slag. Nog geen jaar later verliet de familie hun woning aan de Nieuwmarkt en in het jaar daarop beëindigde hij zijn leven.

Mijn schoonvader regisseerde in de jaren vijftig en zestig in Amsterdam operette-uitvoeringen, als lid van de operetteclub 'Kattenburg'. We herinneren ons dat mijn grootvader Isaac (Sjaak) Sturkop (Deel III – hoofdstuk 7) eerder hetzelfde deed en vaak in dezelfde rol werd genoemd. Wie schets de verbazing te lezen dat in 1930 de Buurt- en Speeltuinvereeniging 'Kattenburg' een kindervoorstelling van J. Sturkop in haar tuin organiseerde. Hoe families al voor de kennismaking met elkaar konden zijn verbonden. :)

De grootse nationale en internationale carrière als schoonspringer van Nico Sturkop was in het boek al uitvoerig beschreven (Deel III – hoofdstuk 25). Dat hij soms ook waterpolowedstrijden floot was ook bekend. Maar de kranten vertellen ons over een waterpolowedstrijd tussen RZC en DJK (de Amsterdammers wonnen met grote overmacht), waarbij Nico het doel van DJK verdedigde. De indertijd beroemde Olympische zwemmer Piet Ooms, clubgenoot van Sturkop, speelde mee voor DJK.

1 december 2014. Een laatste teken van leven is altijd ontroerend. Uit de Verenigde Staten dook een brief op van Isaac Sturkops zwager Hartog (Harry) Warradijn (Deel II – hoofdstuk 29) ontving in december 1939 uit Canada een brief van zijn nichtje Morna Roeg en schrijft in januari 1940 terug. We weten dat hij met zijn vrouw Esther en schoonzus Josephine kort geleden een nieuwe woning had betrokken. Hij schrijft dat de dames vanwege reuma niet langer trappen konden lopen en nu naar een benedenhuis waren verhuisd. (Grappig is opeens te merken dat de zussen op dezelfde dag en maand van het jaar jarig zijn.) Hij refereert ook aan een grammofoonplaat, waarop een gesprek tussen Amerikaanse familieleden is opgenomen en waarop onder anderen de indertijd bekende filmacteur Charles Judels is te horen. Harry schrijft aan Morna dat iedereen zeer nerveus is over de oorlog en dat men blijft hopen dat Nederland neutraal blijft. De brief eindigt met de beste wensen van de drie ‘aunties’ (Esther, Josephine en hun zus Hanna Sturkop-Roeg). Het zouden de laatste groeten geweest kunnen zijn: de drie huisgenoten worden drie jaar later in Auschwitz om het leven gebracht.

21 november 2014. Na de publicatie van de drie delen van de genealogie Sturkop en Sturhoofd (zie de pagina Gepubliceerde boeken) is een begin gemaakt met de levensbeschrijving van de veelzijdige en indertijd veelbesproken Amsterdamse arts Dr. Stephan Sturkop (Deel III - Hoofdstuk 22). Van hem en zijn naaste verwanten is zoveel informatie en beeldmateriaal vergaard dat een aparte uitgave zinvol is. Hij groeide op in een omgeving van ondernemers en artiesten (soms van grote faam), die zijn leven mede getekend hebben.

17 oktober 2014. Het ‘Stamboek van Heeren Officieren’ die naar Nederlands Oost-Indië werden uitgezonden, toont de daaraan voorafgaande militaire loopbaan van Nicolaas Robbert Sturkop (Deel III - Hoofdstuk 25). In augustus 1914 verbond hij zich als als vrijwilliger bij de Landstorm en werd ingedeeld bij het landstormkorps 'Stelling van Amsterdam', in de rang van sergeant. Zijn toetreding zal zijn gestimuleerd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In februari 1915 werd hij sergeant-majoor en in april 1917 volgde zijn bevordering tot vaandrig. De vrijwillige verbintenis werd een maand later verbroken en Nico werd in juni 1917, in het kader van de mobilisatie, als landstormplichtige ingedeeld bij de VII Infanteriebrigade. Hij behield de rang van vaandrig. In augustus van dat jaar werd hij ingedeeld bij het III Bataljon van het 21ste Regiment Infanterie. In december 1917 werd hij Tweede Luitenant en in juni 1919 vertrok hij met het Stoomschip 'Prins der Nederlanden' naar Oost-Indië, aldaar gedetacheerd ‘voor den tijd van ten hoogste drie jaren’, bij het Wapen der Infanterie van het leger in Nederlandsch-Indië.

21 augustus 2014. Bekend was dat Levie Sturkop en zijn zoon Sebastiaan (Deel II - Hoofdstukken 13 en 31) in 1881 in Amsterdam waren teruggekeerd, nadat zij tien jaar in Londen een voorspoedig bedrijf in diamanten hadden gevoerd. Misschien voelde Levie zijn einde al naderen (hij stierf begin 1885): op 4 augustus 1882 gingen beide heren een vennootschap onder firma aan, onder de naam L. Sturkop en Zoon, waarin zij de handel voortzetten in ‘ruwe en geslepen Diamanten en andere Edelgesteenten, alsmede het doen fabriceeren van Diamanten, tot dusverre door eerstgenoemde alleen uitgeoefend’. Of Sebastiaan na de dood van zijn vader lang in het diamantwezen is gebleven weten we niet, maar in 1895 werd hij benoemd tot makelaar in meubilair, een beroep dat hij vele jaren uitoefende.

20 augustus 2014. Altijd weer mooi als nieuwe foto’s opduiken. In Scheveningen is een project aan de gang, waarmee alle woningen met joodse bewoners van de Harstenhoekweg in kaart worden gebracht. Nazaten en bekenden van zulke bewoners dragen bij met herinneringen en/of – zoals in dit geval – foto’s. We zien Engelina van Adelsbergen-Sturkop (Deel III - hoofdstuk 10) met haar man Maurits en hun dochter Adèle, helder afgebeeld te midden van een grote groep vrienden. Weer gezichten bij namen. Ook in de historische kranten, die nog lang niet allemaal zijn onderzocht, vinden we annonces en berichten die kleur geven aan Engelina’s bestaan, een actieve dame, zo te zien. In september 1910 wensen haar man en haar vader Isaäc Sturkop de gemeenschap een gelukkig Nieuwjaar toe. Zij wonen dan in de Katwijkstraat 62, iets dat we al wisten. Wat we niet wisten blijkt in 1914: dan woont Engelina met haar gezin in de Van Tuyllstraat, maar ze laat weten dat zij daar het Pension Van Adelsbergen drijft en dat dit pension voor die tijd in de Katwijkstraat 62 was gevestigd. We wisten ook dat haar ouders in 1908 vanuit Amsterdam bij haar kwamen inwonen, maar dat zij dus in het pension van hun dochter terecht kwamen in nieuw. De Nieuwjaarswens herhaalt zij nog enkele jaren. In 1914 is daar de naam M. Sturkop aan toegevoegd. We mogen aannemen dat dit haar moeder Maria Hont was. In 1916 wordt Engelina gekozen in het bestuur van de dan zojuist opgerichte damesvereniging ‘Sjewes Achawin’ en benoemd tot penningmeester. In 1917 krijgt zij een geschenk aangeboden voor ‘al haar moeite en opofferingen’ voor de vereniging. In 1919 biedt zij zelf een cadeau aan, een fraai geborduurd kleed, ter nagedachtenis aan wijlen haar vader. In datzelfde jaar bereidt zij samen met een ander bestuurslid het feest ter gelegenheid van het driejarig bestaan van de vereniging voor.

20 augustus 2014. Isaäc Sturkop (Deel II - hoofdstuk 29), was diamantklover, juwelier en eigenaar van diamantslijperij. Hij kwam al uit een familie van diamantwerkers, maar nu blijkt dat zijn oom (broer van zijn moeder) Salomon Roeper directeur was van de bekende Amsterdamse stoomdiamantslijperij ‘Gebr. Boas’. Van Salomons oudste broer Joshua is nu bekend dat hij, na de dood van zijn echtgenote Flora Gobes, kapitaal onderbracht in de door hem opgerichte liefdadige ‘Flora Roeper-Gobes en Josua Isaac Roeper Stichting’. Flora ‘Gobes was overigens een dochter van Marianne Gobes-Sturkop. De stichting, die een bruidsschat schenkt aan ‘armlastige joodse bruiden van onbesproken gedrag’, is vandaag den dag nog altijd actief. Ook Joshua Roeper zat in het diamantwezen en we zien een stevige verstengeling van zaken- en familiebanden.

11 mei 2014. (Betreft Deel II Appendix – Pagina 42). Het jongste kind van Karel Benjamin Nieuwkerk was dochter Sellie Nieuwkerk. Zij trouwde met Martijn Henri de Vries. Hij was een kleinzoon van de beroemde toneelactrice Esther de Boer- van Rijk. De moeder van Martijn was de actrice Sophie de Vries-de Boer. Niet lang voor de oorlogsjaren woonde Martijn Henri de Vries alleen (in Hilversum). Het adres van zijn vrouw en beide kinderen (Martijn Henri en Carolijn Sophie) was onbekend. Zij werden echter allen op 30 april 1943 in Sobibor om het leven gebracht. Sellie en de kinderen zaten in het transport naar Sobibor van 27 april 1943; vader Martijn Henri eveneens, echter als Häftling (gevangene). Reconstructie: het lijkt erop dat vrouw en kinderen samen waren ondergedoken en dat de vader apart van zijn gezin was opgepakt. Ze moeten voor de deportatie in Westerbork hebben gezeten, waar Martijn Henri senior Häftling zal zijn geweest.

23 april 2014. Dora Weijl, een kleindochter van Mozes Barend Nieuwkerk en Duifje Koopman Sturkop trouwde met Henri René Kahn. Hij was zoon van Sylvain Kahn, de medeoprichter van het vooraanstaande modehuis Hirsch & Cie., aan het Leidseplein en werd mededirecteur van die onderneming, die onder anderen Koningin Wilhelmina als klant had en Hofleverancier werd. Dora Kahn-Weijl was kunstenares, autodidact en verkreeg bekendheid als schilder, tekenaar, pentekenaar, pastellist, aquarellist en lithograaf.

16 april 2014. Het is opvallend dat Harry Warradijn op dezelfde dag stierf als zijn moeder en zijn grootouders Warradijn, echter niet zoals zij in Auschwitz, maar in Zeist. Harry woonde al enige tijd in Apeldoorn en later in Bloemendaal, waar inrichtingen voor geestelijk gehandicapten waren gevestigd. De vraag doemt op of hij bericht van deporatie van zijn familie had gekregen en daarop zelf zijn leven heeft beëindigd, iets dat vaker voorkwam in die omstandigheden.

14 april 2014. Deel III van de Genealogie Sturkop & Sturhoofd is gereed. De annoncering is per e-mail verstuurd aan de bekende geïnteresseerden (zie de pagina Gepubliceerde boeken).

1 april 2014. De proefdruk van Deel III komt dezer dagen binnen. Nu al is nieuwe informatie beschikbaar:
Hoofdstuk 33: Van Alexander Sturkop was al bekend dat hij na de bevrijding van Bergen-Belsen nog in de laatste meidagen bezweek. We vermoedden dat hij met hetzelfde transport als Anne Frank vanuit Auschwitz naar Bergen-Belsen was getransporteerd, maar dat ligt heel wat complexer. Nu zijn ook de gegevens uit de Duitse concentratiekampen beschikbaar:
Alexander werd op 24 maart 1943 in Amsterdam gearresteerd en op 25 maart naar Vught overgebracht. Daar is hij nagenoeg een jaar gebleven. In Vught moet hij in juni 1943 nog het kindertransport naar Auschwitz hebben zien vertrekken, waarmee zijn achternichtje en -neefje Maria en David Sturkop hun einde tegemoet gingen. Eind maart 1944 kwam hij in Auschwitz terecht. Van 28 april tot 8 mei 1944 en nog een klein aantal dagen in begin juni was hij tewerkgesteld in de bouw van het ziekenhuis van Monowitz, een nevenkamp van Auschwitz, waar het beruchte IG Farben zijn fabricage had. Op 22 januari 1945 werd hij overgebracht naar het ‘Kommando Ohrdruf’, waar hij op 7 maart voor het laatst geregistreerd was. In  Ohrdruf, een buitenkamp van Buchenwald, waren bijna twaalfduizend dwangarbeiders aan het graven gezet van een uitgebreid tunnel- en bunkerstelsel. Op 2 mei 1945 moest het grootste deel der gevangen, onder bewaking van de SS, een voettocht van 51 kilometer naar Buchenwald maken. Deze tocht stond later bekend als de Todesmarsch: tallozen stierven onderweg of werden door de SS doodgeschoten. Alexander Sturkop moet dit hebben overleefd en na korte tijd in Bergen-Belsen zijn aangekomen. Dat hij daar alsnog bezweek, aan uitputting en mogelijk verwondingen of ziekte, zoals tyfus, ligt voor de hand. Zijn vrouw en zoons waren al eerder om het leven gekomen, op verschillende tijdstippen en ver van elkaar, in Sobibor, Auschwitz en ‘ergens in Polen’, zoals dat later werd vastgelegd. Hij stond niet alleen geregistreerd als ‘jood’, maar ook als politiek gevangene. Het is niet ondenkbaar dat hij in een vorm van verzet zat of misschien het communisme aanhing. Alexander Sturkop beoefende volgens de Duitse gegevens beroepen uit als diamantslijper, timmerman en hij werkte bij een matrassenstopperij. Maar in Buchenwald stond hij te boek als schilder.
Van zoon Nathan was het lot grofweg al bekend. De oudste, Mauritz, zo blijkt nu, belandde al op 31 juli 1942 in Auschwitz. Dat hij daar op 30 september van dat jaar werd gedood, betekent dat hij nog twee maanden in dat onheilsoord heeft moeten doorbrengen.
Hoofdstuk 21: Ook over Lodewijk Sturkop is nu meer bekend. Hij kwam op 10 december 1942 in Kamp Westerbork aan en heeft daar nog ruim een maand doorgebracht. Op 18 januari 1943 zat hij op het transport naar Auschwitz, waar hij direct na aankomst, op 21 januari is vermoord.

23 maart 2014: Deel III van de genealogie is in productie. Na ontvangst en beoordeling van d proefdruk wordt het boek geannonceerd en kan men het bestellen.