Genealogische aanvullingen – Weekblad ANDB

Nieuwsitem d.d. 7 juli 2017: Op www.delpher.nl staat een nieuwe oogst aan gedigitaliseerde media, nu van tijdschriften, waaronder het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond. De edities van dat weekblad had ik in 2016 al doorgenomen bij het IISG in Amsterdam, maar het doorzoeken van microfilm aldaar was een omvangrijk werk en veel vermeldingen had ik gemist.

Vooral over de diamantair Isaak Sturkop (betreft deel II – hoofdstuk 29) kwam veel extra’s boven water en zelfs over zijn vader Salomon Sturkop (betreft deel II – hoofdstuk 10) was er een interessante melding. Daarover later.

Hier alvast nieuws over Jacob Sturkop (betreft deel III – hoofdstuk 17). In het blad plaatsten Jacob en Esther een annonce vanwege hun ondertrouw op 23 november 1905, gevolgd door een aankondiging van de geboorte van hun zoon Alexander op 20 juli 1906. Dat Jacob prachtig kon zingen weten we al uit dat hoofdstuk en van zijn zoon Louis, maar dat hij een mooie bariton had blijkt uit een bericht uit december 1919 in het weekblad. Tijdens de feesten en plechtigheden voor het 25-jarig bestaan van de bond namen Henri Polak en Jan van Zutphen het woord, waarna: ‘als de stilte, na de ovatie […] is weergekeerd, horen de aanwezigen plotseling met een schoon baritongeluid een toepasselijk lied zingen, op de melodie van ‘Les Rameaux’. Het was onze jonge vakgenoot Jacob Sturkop, die dit ten gehore bracht en daar een hartelijk applaus voor in ontvangst had te nemen.’ De ‘jonge’ Jacob was toen 36 jaar. Ruim 10 jaar eerder verscheen een ingezonden stuk van de diamantbewerker Waas, die Jacob heftig beschuldigde van een nare grap. Onder de titel: ‘andere boevenstreken’ schreef Waas: ‘Enige tijd werkeloos zijnde en vader van negen kinderen, liep ik j.l. vrijdag te kijken of enig werk voor mij te vinden was. Zo lopende werd ik staande gehouden door de heer Jacob Sturkop. Dit heerschap zie tot mij “ik heb een brief van mijn vader ontvangen, waarin staat, dat ik u naar Antwerpen zal sturen, daar er voor elf maanden werk is”. De blijdschap in mijn gezin was groot bij het vernemen van deze tijdig, maar het nodige geld ontbrak mij. Door enige mensenvrienden geholpen, ging ik zondagmorgen met geld voor enkele reis op zak, geen boterham bij mij, geen schoen aan de voet, van huis. In Antwerpen aangekomen, trof ik de vader van bovengenoemde heer en zei tot hem: “hier ben ik”. Mijnheer Sturkop, mij vreemd aankijkende, vroeg wat dit betekende. Hierna hem alles vertellende, zei hij van niets te weten. Daar stond ik, zonder geld om terug te gan. Veel uitweiden over de zaak wil ik niet meer, doch mijnheer Sturkop, die deze aardige grap uithaalde, slechts mijn dank zeggen.’

Een maand later reageerde Jacob in het weekblad op Waas’ beschuldiging: ‘Het is zeer begrijpelijk, wanneer iemand ergerlijke gemeenheden worden aangedaan, dat men zoiets aan de kaak tracht te stellen […]. Maar naar mijn mening is er dan pas aanleiding plaatsing te verzoeken voor een stukje, als er redenen toe bestaan. En nu wil ik heel even in het kort aan mijn vakgenoten doen zien, dat er voor de heer Waas niet de minste aanleiding toe bestond. […] Waar was een van die diamantbewerkers die nagenoeg nooit werkten. Op een zekere dag ontmoette ik hem […] en bracht hem onder het oog, dat er nu wel alle kans zou bestaan ook voor hem om aan het werk te komen. Ik deed pogingen om hem een baas te bezorgen, wat mij dan ook gelukte. In de loop des tijds bekwaamde Waas zich dermate, dat hij een solide vakgenoot werd. Zo kwam het , dat ik Waas wel eens ontmoette en altijd informeerde hoe hem ging. Het deed mij goed, als ik van hem vernam, dat hij zijn brood verdiende. Ik, die zijn toestand van vroeger kende, en nu er toe meegewerkt te hebben, dat hij in betere doen kwam, voelde mij inderdaad gelukkig. Een paar weken geleden was ik in Antwerpen en zeer toevallig sprak ik met mijn vader over Waas. Mijn vader droeg mij op, toen ik weer naar Amsterdam ging, Waas op te zoeken en als deze geen werk had, hem in overweging te geven naar Amsterdam te gaan. Hij zou dan zeer waarschijnlijk bij mijn vader en zo niet door bemiddeling van mijn vader aan het werk komen. Zodra ik hier in de stad was, ging ik naar Waas zijn huis; ik trof hem niet aan, waarna ik hem enige malen nog opzocht en hem telkens niet thuis vond. Enige dagen daarna ontmoette ik Waas op straat en stelde hem in kennis van de boodschap, die ik voor hem had, er bij zeggende, dat het nu zeer wisselvallig was geworden aangezien reeds enige dagen verstreken waren. Waas zie mij toen, toch voornemens te zijn geweest naar Antwerpen te vertrekken, wat hij dan ook deed. Toen Waas buiten kwam, vroeg mijn vader hem, of hij inderdaad zich in Antwerpen wilde vestigen en zo zulks het geval was, dan zou hij kunnen werken. Deze vraag stelde mijn vader hem naar aanleiding van het feit, dat gereedschap verzorgd moest worden. Waas gaf in bevestigende zin hierop antwoord, en ging bij mijn vader aan het werk. Onmiddellijk gaf mijn vader hem 10 francs. Na enige dagen gewerkt te hebben, veranderde Waas van patroon. Hoe Waas er nu toe komt, zulk een schunnig, ingemeen stukje te schrijven, is iets, wat aan krankzinnigheid doet denken. Ik heb er beslist geen begrip van, hoe Waas hiertoe is gekomen. Was het Waas er misschien om te doen, dat de vakgenoten hier medelijden met zijn gezin kregen en dat zij dat in klinkende munt zouden omzetten? Het heeft er wel iets van weg. Het was nodig, dat ik enigszins omstandig de dingen heb meegedeeld, omdat een aantal van mijn vakgenoten mij inderdaad het zeer lastig maken. Ik tart Waas nu tegen te spreken, al hetgeen ik hier heb geschreven. Doet hij dat niet, en zulks kan hij eenvoudig niet, dan is hij ontoerekenbaar of de verpersoonlijking van perfiditeit.’ Afgezien van dit weerwoord valt het mooie Nederlands van Jacob op (de spelling heb ik aangepast aan de hedendaagse).

Het geeft ook blijk van wederzijds bezoek tussen de familieleden. Bovendien zien wij dat Jacobs vader Alexander Sturkop (betreft deel II – hoofdstuk 28) in Antwerpen tamelijk zelfstandig werkte: het lijkt erop dat hij baas (eigenaar van molens) was in een fabriek aldaar.