Sturkop, Isaäc – Diamantindustrie

 

Nieuwsitem d.d. 17 juli 2017: In het boek ‘Arts op vele fronten’ over dr. Stephan Sturkop werden in hoofdstuk 3 het metier en verwikkelingen van zijn vader behandeld. Ondanks uitgebreid onderzoek in o.m. het IISG te Amsterdam kon toen nog niet alles boven water gebracht worden met betrekking tot de professionele levensloop van vader Isaäc Sturkop (Deel II – hoofdstuk 29). Sinds juli 2017 biedt www.delpher.nl een aanvulling op de grote collectie gedigitaliseerde tijdschriften en daarin werden vele hits aangetroffen, vooral in het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond. Deze vondsten bieden een veel beter overzicht van het reilen en zeilen van deze juwelier-diamantair.

Hierna volgen die bevindingen, die het bovengenoemde hoofdstuk verregaand aanvullen en meerdere overgebleven vragen geheel of deels beantwoorden. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat de inhoud van dat weekblad gevuld werd door een redactie die – namens de diamantbewerkers – een vaak heftige strijd voerden tegen de diamantairs; dat heeft hun opinie en toonzetting uiteraard sterk bepaald. Waar nodig wordt dan ook commentaar van de schrijver toegevoegd.

De grote diamantstaking en de nasleep in Amsterdam. Begin december 1894 werd door de Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond (verder ANDB genoemd) een beroep gedaan op de ‘knechten van de bazen’ van Sturkop & Co. Dit geeft meteen meer aan over de structuur van Sturkops onderneming. (Uit andere artikelen blijkt helder dat zeer veel juweliers op die manier werkten.) Sturkop was vooral een juwelier, die op meerdere manieren diamantbewerkers aan het werk hield. De hier genoemde bazen werkten voor eigen rekening, maar maakten gebruik van de faciliteiten die de juwelier bood (vaak weer via bevriende diamantfabrieken) of werkten onder contract met hem. De knechten, ergo de slijpers, snijders, verstellers, enz., stonden op hun beurt in dienst van zulke bazen. De ANDB verzuchtte: ‘Laten zij tenminste hun belangen begrijpen. Zij, voor wie vóór alles de gehele beweging bestemd was. Begrijpen moeten ze, dat als ze heden aannemen voor minder, alle chipjuweliers (zie onderaan dit artikel) onmiddellijk ook hun loon zullen verlagen. Daardoor zou voor Sturkop en consorten weer voordeel vervallen zijn en deze zouden opnieuw aan het loon gaan tornen, wat ze dan evenzeer gelukken zou, omdat dan de eensgezinde macht der werklieden gebroken is.’

Duidelijk is daarmee dat de arbeiders niet onmiddellijk trek hadden in een staking, waarschijnlijk goeddeels omdat zij vreesden voor hun arbeidsplaats. Liever accepteerden zij kennelijk een wat lager loon voor hun werk. Helder is ook dat de juweliers elkaars loonstrategie op nauwe voet volgden en hoopten dat anderen niet door de knieën zouden gaan en hoger gaan belonen. De ANDB was echter niet van plan hen en de firma Sturkop met rust te laten: ‘Wij zullen alles beproeven om u het werken onmogelijk te maken, zult gij, als ons dat eens niet mocht gelukken, oorzaak zijn dat uw loon binnen enkele malen veel slechter zal zijn geworden dan het was.’

Een week later stelde de ANDB dat zij overtuigd was dat met het vallen van de lonen van ‘het chips’, de gehele beweging zou vallen. ‘En dit te meer, omdat de chipskantoren die tot nu toe door lieten werken en tot wie de geruchten ter ore waren gekomen, dat de werklieden van Sturkop & Co. en Jos. Judels voor minder zouden beginnen, bijna unaniem besloten op hun beurt de dingen af te wachten, etc.’. In dit verband wordt nog eens herhaald, dat Isaäc Sturkop, Isaäc Roeg, Jos Judels en de familie Warradijn, al dan niet via onderlinge huwelijksbanden, nauw aan elkaar verwant waren en ook zakelijk gezamenlijk optraden. Sturkop & Co. en Jos Judels waren op het bureau van de ANDB door het bestuur gewezen op de geruchten over lage lonen, maar ‘de heren antwoordden dat het niet zij waren, die minder loon hadden geboden, maar dat enkele slijpers en hun knechts dit hadden gedaan. Als het comité met 8000 man het werken zouden trachten te verhinderen, dan zouden zij er wel 9000 tegenover weten te plaatsen’.  Een dag daarna stonden bestuursleden op het Amstelveld voor het kantoor van Sturkop & Co., om daar de werklieden te bereiken. Unaniem werd besloten het werk te weigeren en hiervan werden Sturkop en Judels kennis in kennis gesteld. Deze heren maakten nu bij voorbaat alle werklieden voor lafaards uit en verwachtten dat die met hangende pootjes bij hen zouden komen aankloppen. Een dag later vond de ANDB de overwinning al half behaald en onmiddellijk na de vergadering berichtten Sturkop en Judels dat zij weer tegen het nieuwe loon zouden gaan uitgeven en dat er voor minstens zes weken werk zou zijn. Er was in die tijd een tarievenlijst opgemaakt waar werkgevers en werknemers zich aan dienden te houden.) Medio januari meldde de ANDB de truc dat ‘verschillende chipsjuweliers, o.a. de firma’s Sturkop & Co., Roeg & Warradijn, Jos. Judels’, van hun slijpers een molenhuur van f. 1,– per dag hadden geëist. De meeste slijpers hadden zelf niet zo’n molen en waren uiteraard volledig op dat gereedschap aangewezen. Een gulden was in die tijd overigens een wezenlijk stuk inkomen. De ANDB zag dit als ontduiking van het minimumtarief, temeer omdat de juweliers een door alle bazen getekende overeenkomst eisten waarmee zij zich aan die molenhuur zouden verbinden.

Het bestuur van de ANDB, dat bestond uit o.m. de roemruchte voorzitter Henri Polak en de even befaamde Jan van Zutphen (beiden oude bekenden van Sturkop), zat niet verlegen om bloemrijke lezingen, zoals medio maart 1895, in een stukje getiteld ‘Kronkelingen’: ‘zelfs de worm die getrapt wordt, kronkelt zich bij wijze van verzet. De voet van onze organisatie wordt hen te zwaar en zij zullen nu trachten de reus om te werpen.’Sturkop had de voor hem werkende bazen verder onder druk gezet. ‘De raad der beroemde chipsfamilie heeft dezer dagen in plechtig conclaaf besloten minstens zes weken geen werk uit te geven.’ Voor de leek is het niet geheel duidelijk wat zich precies afspeelde, maar het bestuur meldde ‘hartelijk te moeten lachen om al die grappenmakerijen’. Zij wezen op de door hen waargenomen verwarring binnen de familie, toen op het bondsbureau na afloop der juweliersvergadering in de stakingsweek de heren Warradijn, Roeg en Judels, die op vergadering tegen gestemd hadden, kwamen toestemmen, omdat de heer Sturkop, tegen het in de familieraad genomen besluit, op de vergadering toegestemd had.

Antwerpen. In het boek viel al te lezen dat Isaäc Sturkop zijn slijperswerk naar Antwerpen had verplaatst, waarbij hij overigens lang niet de enige was. Zijn compagnon Maurits Strelitski (zie onderaan dit artikel) zwaaide daar voor hem tot eind 1895 de scepter. Wanneer Sturkop zijn werkterrein daarheen verplaatste, was nog niet helder, maar nu blijkt dat al halverwege april 1895 een groep Amsterdamse diamantbewerkers uit Antwerpen aankwam op het station van de Staatsspoorweg. Een flink aantal arbeiders ontving daar ‘de verloren zonen’. De ANDB deed verslag:  ‘toen de trein aangekomen was en de luidjes uit de wagons op het perron stapten, steeg een herhaald hoera! uit de menigte op, dat, vergezeld van allerlei uitroepen en kreten, herhaald werd, tot de would-be uitwijkelingen door hun aanwezige familieleden weggemoffeld werden. Deze hoera’s! en vreugdkreten golden niet de teruggekeerde onderkruipers, doch het feit, dat de met zoveel bombarie ondernomen verhuizing op niets, op erger dan niets uitgelopen was.’ Het bestuur zag daarin het bewijs dat ‘die fameuze verplaatsing van het vak naar Antwerpen’ mislukt was. Zij vonden het prima dat diamantairs zoals Sturkop naar Antwerpen trachtten te emigreren en vermoedden dat door de gebeurtenissen geen werkman het in zijn hoofd zou krijgen aan hun lokstem gehoor te geven en over de Moerdijk te trekken. ‘Het uitschot dat tot alles bereid is, zij hen van harte gegund!’, zo schreef Henri Polak. Er was al een grote, naar Antwerpen uitgeweken firma met de kous op de kop teruggekomen. De geruchtenstroom werd ook ontzenuwd (we zeggen het maar voorzichtig, want de ANDB zou uiteraard geen bedrijfssuccessen melden) dat de chipfabrikant Sturkop 30 molens in Antwerpen zou runnen. Hij had door hoogstens 8 à 10 aan de gang. ‘De mannen die deze molens bezetten gunnen wij hem van harte’.

Een volgens Jan van Zutphen betrouwbare vakgenoot meldde eind mei vanuit Antwerpen, dat Sturkop de lonen al had moeten verhogen, na een begin van een staking. Maar ook daar maakten deze patroon zich nog steeds schuldig ‘aan een schandelijke exploitatie’. Aan de werklieden werd een forse molenhuur in rekening gebracht, evenals het noodzakelijke zand, dat overigens ‘geheel onbruikbaar’ was. Daarnaast werd iedereen verplicht f. 6,– per week aan bazenloon te betalen.

Waren het de diamantairs of de werklieden die wel van een grappige misleiding hielden? Begin mei 1895 deed het gerucht de ronde, dat een combinatie van drie Amsterdamse en drie Antwerpse juweliers van plan was in Yokohama, in Japan een diamantslijperij te openen, nog wel met 250 molens. Tevens hoorde men via via dat de firma Sturkop & Co. op korte termijn naar Amsterdam zou terugkeren, hetgeen in verband werd gebracht met deze ‘Yokohama-historie’. Maar een week later was die historie al ontzenuwd: ‘de combinatie voor Japan is een van die grove Antwerpse kluchten, waarvan onze vakbroeders het monopolie schijnen te hebben.’ Dat de ‘repatriëring der Sturkopianen’ niet voorgoed was, blijkt hieruit dat de werklieden van Sturkop & Co. in het weekeinde van 28 en 29 juni naar Amsterdam waren gekomen en dat zij een weekje waren gebleven; op zaterdag 6 juli waren ze alweer terug in Antwerpen. Wel berichtte men over de voortgaande emigratie vanuit Antwerpen naar Amerika, waarover we in ‘Arts op vele fronten’ al schreven en over de zwakke opstelling van de Antwerpse diamantbewerkers t.o.v. vakbonden. In een later bericht werd de komst naar Amsterdam van de werklieden bij Sturkop & Co. ook als een pleziertochtje bestempeld. Dat werd vergezeld van de waarschuwing dat deze firma het plan had opgevat op korte termijn nog eens 200 werklieden naar Antwerpen te doen verhuizen, te weten slijpers en ongeveer 50 of 60 snijders. Het bestuur van de ANDB werd opgeroepen met de dan in Amsterdam aanwezigen te spreken, teneinde hen te bewegen in onze hoofdstad te blijven. Henri Polak schreef in een commentaar over de ‘feestgangers’, dat de ‘flinke, waardige kameraden die met de firma Sturkop & Co. naar Antwerpen trokken, gedurende de Pinksterdagen onze stad met hun gewaardeerde tegenwoordigheid vereerd hebben’. Praten met hen verkoos hij echter niet, want: ‘met die lui te spreken ging echter werkelijk niet: wij zijn niet gewoon jenever te trakteren, en zonder dat kan men met deze lieden niets aanvangen’. En over een eventuele aanstaande verhuizing merkte hij op dat hij daarin niet geloofde, maar ‘wie plezier heeft te gaan, dat hij in hemelsnaam ga! Niets is ons liever dan van wat schorremorrie verlost te worden. De goede knappe werklieden gaan tòch niet.’

In het boek viel al te lezen dat de diamantbewerkers de collega’s die bij werkgevers zoals Sturkop hun brood verdienden maar eens te lijf moesten gaan. Dat de sfeer ook in Antwerpen steeds grimmiger werd blijkt uit een vakbondsactie medio augustus, waarin werd besloten dat de ‘nieuwe onderkruipers’ van Sturkops collega Beffie gesaboteerd zouden worden en dat alles zou worden gedaan om ze niet aan het werk te laten komen. ‘Dat de uitvoering van dit besluit niet zou uitblijven indien zij hierheen komen, hebben de onderkruipers van Sturkop reeds ondervonden. Zij waren op die meeting aanwezig en zijn zodanig toegetakeld dat zij op de volgende vergadering bepaald afwezig bleven’.

Niettegenstaande deze berichten constateerde bondssecretaris Herman Kuijper in augustus te Antwerpen het nagenoeg ontbreken van een diamantbewerkersorganisatie. De werklieden kwamen er rond voor uit dat zij machteloos stonden. Men sprak er ook met werklieden die voor Sturkop werkzaam waren. Veel diamantbewerkers beklaagden zich erover dat zij niet naar Amsterdam konden terugkeren, omdat hen daar het werk onmogelijk gemaakt zou worden. Desondanks kwamen er in oktober berichten uit Antwerpen dat de vakbeweging daar steeds beter werd. In Nederland was, zoals te lezen viel in het boek, die door Antwerpenaren werd ondersteund. De mannen van Sturkop gingen ook met lijsten rond om die staking te steunen. In Antwerpen was weer een aantal Amsterdamse slijpers aangekomen; men verzekerde echter dat zij niet veel zouden werken, het zouden de eersten niet zijn ‘die wij in de laatste veertien dagen terugzenden’. In het boek schreven we reeds dat sinds december 1895 niets meer is vernomen over onze naamgenoot in Antwerpen. Vlak na Kerstmis adviseerde men de diamantair Tak (overigens ook binnen de aangehuwde familie) het gewone tarief van 60 cent voor molenhuur te vragen, zoals dat van Sturkop & Co. ook gewoon is. Het ziet ernaar uit dat, hoewel het tarief wat lager was, molenhuur in rekening gebracht bleef worden. Kennelijk was Sturkops bedrijf weer terug in Amsterdam of was daar zelfs deels gebleven. We weten immers ook van de vele thuiswerkers, waarover nog gesproken gaat worden.

Later is het Tijdperk Antwerpen nog vaak besproken in het bondsblad. Ook werknemers die daar – tegen vermeende lagere lonen – voor werkgevers zoals Sturkop hadden gewerkt, kregen nog regelmatig een trap na. Een zekere Vega ‘was daar berucht is geworden als onderkruiper bij Sturkop. Elk onzer die weet welk een zware strijd wij tegen de onderkruipers hebben moeten voeren, kan begrijpen wat het zegt een dergelijk individu nu als bondslid te dulden’. Er vertrokken later ook nog wel diamantairs naar België. Jos Judels is daar bijvoorbeeld altijd gebleven en wel met groot succes. In juni 1896 vertrok ook J. van Wesel daarheen. (Hij en zijn broers bleven handelspartners met de familie, ook nadat zij zich in New York hadden gevestigd.) ‘Gaat hij daarmee het voorbeeld van de heren Sturkop e.a. volgen: de wijk nemen naar het asiel voor loonontduikers?’ vroeg de ANDB zich af. De bond zou nog vele malen refereren aan de vele juweliers die de handdoek in de ring hadden geworpen en na stroppen naar Amsterdam terugkeerden.

Zelfs eind 1898 moest een diamantwerker zich er nog over beklagen dat hij herhaaldelijk en onterecht door vakgenoten werd lastig gevallen, die in de mening verkeerden, dat hij voor de firma Sturkop & Co. te Antwerpen onder het loon gewerkt had. Jan van Zutphen moest inspringen met de verklaring dat de man daar juist voor een correct betalende werkgever aan de slag was geweest.

We zullen nooit weten wat omging in het hoofd van Isaäc, toen hij besloot Antwerpen de rug toe te keren. In 1908 had Henri Polak daarover in retrospect wel een mening: ‘In 1895 stak een heel stel juweliers de Moerdijk over, onder wie de heer Sturkop en andere chipsjuweliers. Het duurde echter geen drie maanden, of alle waren weer met hangende pootjes behoorlijk in het vaderland.’ Maar Polak zou uiteraard uit hoofde van zijn functie niet veel anders beweren dan dit.

Terug in Amsterdam. In Amsterdam hield de onrust nog lange tijd stand en in oktober 1895 braken weer stakingen uit. In de loop der week werd het werk neergelegd door het personeel bij onder meer Hamburger (op de fabrieken-Rudelsheim) en Sophia (juwelier-Sturkop). De aanleiding lag in de geringe verdiensten, veroorzaakt door het slechte werk. Tevens zien we de vaak ingewikkelde structuur: werklieden werken voor de baas Hamburger, die zijn mensen plaatste op twee verschillende fabrieken, waaronder een fabriek die voor Sturkop werkt. De naam Hamburger zal verderop in verband met Sturkop nog terugkomen. Bovendien hadden de werklieden van firma Warradijn & Roeg (respectievelijk de vader van Isaäcs zwager en Isaäcs schoonvader) aangekondigd niet verder te zullen werken. Ook bij Amesfoort & Hartz en bij Strelitski (die ook voor zichzelf werkte) werd gestaakt. (Louis Amesfoort was de andere zwager van Isaäc Sturkop. En zo werd de hele chipfamilie weer getroffen.)

Toch vermeldden de chipsbewerkers medio november 1895 op hun vergadering dat bij Warradijn & Roeg de toestanden het best waren: daar werd het tarief betaald, geen overwicht gegeven en geen bazengeld geheven; vandaar dat de snijders hun werk beter deden, hetgeen ook de slijpers ten goede kwam. Dat was ook het geval bij Sturkop, maar bij Judels was het minder. Soms raakt men wel eens wat in de war met al die wisselende beoordelingen. Als in maart 1896 een aantal juweliers en eigenwerkmakers een contract tekenen, zien wij onder hen I. Sturkop, deze maal zonder ‘& Co’. Niet zo vreemd: Strelitski had immers de firma verlaten en kennelijk was er nog geen nieuwe partner. We zien nu dat Sturkop na zijn Antwerpse periode zijn bedrijf gewoon in Amsterdam had voortgezet, iets waar we niet helemaal zeker van waren ten tijde van het schrijven van het boek.

Vond Isaäc Sturkop steeds op andere manieren vluchtroutes? In januari 1896 bleken in Hilversum twee Hilversummers voor Sturkop te werken. ‘Die snuiter is onverbeterlijk en onbetaalbaar’, voegde de ANDB aan de melding daarover toe. Het lijkt even of er een glimlach om de doorgaans stuurse mond van het bondsbestuur viel waar te nemen.

In oktober 1898 publiceerde de ANDB een lijst van werkgevers ‘bij wie alles in orde is’. Daarop prijkte ook de naam van Sturkop op het Amstelveld 11. We vroegen ons steeds af wanneer Isaäc dit kantoor had opgegeven; eind 1898 was hij daar dus nog altijd te vinden. Op diezelfde lijst zien we ook weer een reeks diamantairs die een plek in de familie hadden, zoals Amesfoort & Hartz, J.A. Kaas, M.J. Roeg & Co. (Maurits Roeg, een broer van Isaäcs echtgenote), Jacq. Roeper (volle neef van Isaäc), Louis Weijl en H.A. Warradijn & Co. (zwager van Isaäc). In de ogen van de ANDB had de chipsfamilie haar leven dus sterk gebeterd. We zien ook Hamburger & Co. in de Swammerdamstraat; het is goed denkbaar dat hij degene is die in 1902 genoemd werd als compagnon van Isaäc Sturkop.

Ondanks de loftrompet doken in mei 1899 klachten op over ‘slecht werk’ op, met betrekking tot de te bewerken grondstof en over het ‘rondisten’ van klein werk. Die klachten kwamen bij herhaling voor, onder meer bij Sturkop & Co. (nu was er kennelijk opnieuw een compagnon), Hamburger & Co., Dresden & Strelitski (een broer van Sturkops vroegere compagnon Maurits Strelitski) en Roeg & Co. Dat slechte werk leidde tot gebrek aan verdiensten van de werklieden.

In het voorjaar van 1900 kende de firma Sturkop & Co. een forse schadevergoeding toe aan enige snijders, mee wie een geschil was ontstaan. Ook de loopknecht van Sturkop ontving een compensatie. Zo zie je steeds meer soorten personeel bij de firma.

Einde van de onderneming. We maken een sprong naar 1902, het jaar waarin Isaäc Sturkop zijn zakelijke pet aan de wilgen hing. We weten dat hij nog altijd een zeer vermogend man was (en bleef); het gekrakeel kan hem ertoe hebben gebracht voortijdig te gaan rentenieren, hetgeen voor hem financieel zonder meer mogelijk was. Zo had hij in april van dat jaar te maken met klachten over slechte specie die hij aan zijn werklieden verstrekte, terwijl dat grove boort moest zijn. Verder waren er klachten omtrent de eisen die aan het fabricaat werden gesteld. In de maand daarop, nadat Sturkop de nodige verbetering had aangebracht, ontstonden nieuwe klachten. In plaats van boort was wederom slechtere specie verstrekt.

Maar vroeg in juni 1902 verscheen het bericht dat ‘I. Sturkop, de bekende juwelier, naar gezegd wordt, met 1 juli a.s. zal uit zaken gaan. De heer Hamburger, lid der firma, zal wellicht de zaken voor een deel voortzetten, zij het ook niet op zo grote schaal als tot nog toe.’ We kunnen vermoeden dat hij de al eerder genoemde Hamburger was die al langere tijd deelgenoot in de firma was.

Al in juli daarop moest de ANDB optreden tegen de juwelier I. Hamburger, ‘vroeger deelgenoot in de firma I. Sturkop, in verband met de oude afspraak dat werkgever geen molenhuur meer in rekening mocht brengen. Dat oude misbruik wordt bij sommigen echter weer in ere hersteld’.

Nabeschouwing. Vele jaren later keek men in het Weekblad een paar maal terug op deze roerige tijden. Alvorens die terugblikken weer te geven, is het goed te beseffen dat men zich na zo lange tijd niet altijd meer exact herinnert hoe de vork in de steel zat. Bovendien belichtte men de zaak vanzelfsprekend vooral vanuit het standpunt van de werknemers. Desondanks biedt het volgende een redelijk overzicht.

In 1928 mijmerde men erover hoeveel fabrikanten van grote en bescheiden betekenis er in de weinige tientallen na de Kaapse Tijd verdwenen waren, zoals Sallie Hamburger, Sturkop & Strelitski, Warradijn & Roeg, twee of drie firma’s Vigeveno, Judels, Kaas, Beffie, Van Wezel, Amersfoort & Hartz, Dresden & Strelitski, Gebr. Roeper. Judels en de meeste chipfirma’s (de Sturkops, Warradijns, Roegs, enz.) gingen teniet. Vele van deze fabrikanten werden kooplieden of commissionairs of gingen rentenieren. Dit breng ons op de gedachte dat Isaäc Sturkop best nog in diamant gehandeld kan hebben, net zoals zijn zwagers Amesfoort en Warradijn dat deden. Maar echt nodig zal hij dit niet gehad hebben.

Wat vreemd is dat in een nabeschouwing uit 1931 gesteld werd dat het na 1896 steeds meer zeldzaam werd dat chips werden bewerkt en dat dit metier ten slotte geheel verdween. In 1900 werd immers nog uitvoerig over de sterke toename van deze markt gesproken (zie verderop). ‘Sturkop, […], , Judels, Roeg, Delden, etc., het zijn als het ware legendarische namen geworden. Later deden enkele firma’s, zoals bijvoorbeeld Amesfoort & Hartz, nog pogingen tot het fabriceren van chips, doch moesten dit na korte of langere tijd opgeven. Vele chipsslijpers trokken naar Antwerpen; de rest was genoodzaakt zich op de bewerking van andere grondstoffen toe te leggen. Leerlingen die in 1904 en later bij het vak kwamen, hebben nooit chips gezien’.

Begin 1935 keek men nogmaals terug op 1894. Daarbij werd Strelitski wederom als de toenmalige compagnon van Isaäc genoemd. Ook gunde men ons een blik in de omvang van Sturkops onderneming en die van Judels: ‘bij beide patroons werkten 500 personen’.Daaronder zullen we m.i. zeker de thuiswerksters moeten rekenen.’

Slotnoot. Jammer dat de tijd zoveel doet verdwijnen. In juni 1895 had de eigenaar van Café de Gouden Voet aan de Westerstraat daar taferelen van de novemberstaking op de muren laten schilderen. Eén daarvan stelde het Amstelveld voor, waar Van Zutphen vanaf de stoep van Sturkop de behaalde overwinning meedeelde. Het zou een mooie illustratie zijn geweest.

De compagnon. Tijdens het schrijven van ‘Arts op vele fronten’ was niet ontdekt wie de compagnon was bij Sturkop & Co. Wel was het vermoeden dat dit Maurits Strelitski was, een zoon van de befaamde acteur en wijnkoper David Strelitski en volle neef van Isaäcs echtgenote. In het Weekblad werd deze verwant echter bevestigd als die compagnon, toen een klein dispuut ontstond over de firma Sturkop & Strelitski. In het boek werd trouwens al aangegeven dat Maurits Strelitski, nadat hij een tijdje in Antwerpen de zaak draaiende had gehouden, de pijp aan maarten gaf en zich met zijn vader in diens drankhandel associeerde. Zoals hierboven opgemerkt zal vanaf rond 1898 een zekere Hamburger zich als compagnon bij de firma Sturkop hebben aangesloten.

De chipmakers. In dit verband moet het begrip chips nog eens in herinnering worden gebracht. Chips waren de restanten diamant, die overbleven na het kloven van grotere stenen. Het slijpen van het steentje, van de eerste bewerking tot de eindbewerking, werd door één en dezelfde werkman verricht. Door de arbeidsverdeling kon vlug gewerkt worden en konden nog redelijke lonen verdiend worden. (In het boek ‘Arts op vele fronten’ staat hierover: wel werd het arbeidstempo sterk opgevoerd, terwijl de arbeiders ook meer door werkloosheid geteisterd werden. In maart 1895, toen er weinig werk was, stelden de chipsjuweliers –  ‘juist zij stonden bij de Bond bekend als de ergste uitbuiters’ –  een eigen minimumtarief vast, beneden dat wat bij de staking was overeengekomen. Enige grote juweliers stelden zich per manifest resoluut aan de zijde van de Bond, die een staking tegen de chipsjuweliers had uitgeroepen. Zij schreven onder meer: ‘Ieder weldenkend fabrikant dient aan de zijde der werklieden te staan, hen zedelijk en dadelijk te steunen wanneer chipsfabrikanten het erop toeleggen de basis waarop het minimum-loontarief is gegrondvest, nl. het verdienen van een schappelijk weekloon, omver te werpen, de organisatie der diamantbewerkers, die eerlijk en rechtmatig en voor fabrikanten nuttig is, trachten te fnuiken en door verkeerde praktijken een voor zich zelve schadelijke concurrentie in het leven te roepen. Het is ieders belang te zorgen, dat het weekloon niet valle, niet alleen om der wille der menselijkheid, maar om welbegrepen eigenbelang. Het is voor een ieder die met diamantaangelegenheden bekend is, een bewezen feit, dat loonsverlaging de fabrikanten nadeel zou berokkenen. Want voor ‘n bagatel minder loon op een partijtje, zou men hun op het geslepen terstond driemaal minder bieden, bereid als men is, om van ieder gerucht een paniek te maken en van alles te profiteren, wat de prijzen van geslepen diamant zou kunnen drukken’. De christenarbeiders, die onder de slijpers ongeveer even talrijk waren geworden als de Joodse, hadden in hun directe omgeving contacten met typografen, timmerlieden en anderen die in de loop van 1894 in staking gingen, meer dan eens met succes. Zij waren verbonden met het algemene arbeidersmilieu, terwijl hun relaties tot de patroons, meest chipsjuweliers, en dikwijls Joden, onpersoonlijk en zeker niet paternalistisch van aard waren, maar zakelijk, hard en zelfs verbitterd.

In de herfst van 1900 publiceerde de ANDB een terugblik op de diamantonrusten. Men beschouwde het bewerken van chips als de grootste vijand. ‘Als gevolg daarvan hadden en hebben wij dan ook grotendeels oorlog te voeren tegen de fabrikanten van die bij uitstek schone diamantsoorten. Reeds de strijd van 1894 had zijn ontstaan daaraan te danken.’ Gememoreerd werd dat de staking met name bij de chipsslijpers ontstond. ‘En dat is te begrijpen, als men weet dat er vóór 1894 lang niet zoveel puinjuweliers gevonden werden als daarna. De chipsjuweliers van voorheen waren te tellen, evenzo als op het ogenblik de juweliers te tellen zijn, welke geen chips fabriceren laten.’ Daarbij wisten de fabrikanten zelf nog niet uit het fabricaat te halen wat er uit te halen viel, omdat de chipsindustrie toentertijd nog in wording was. ‘Met enige uitzonderingen berustte deze tak van industrie dan ook in handen van één familie, welke toen door velen ‘de chipsfamilie’ werd genoemd. Het was de familie Judels, Delden, Sturkop, Roeg en Warradijn, welke als meest gerenommeerde chipsfamilie bekend stonden.’ De schrijver voegde nog een aantal namen toe: ‘en gij hebt zowat alle puinfabrikanten vóór 1894 bij elkaar.’ Nu, in 1900, was dat aantal minstens vertienvoudigd. De ANDB verzette zich nog steeds met kracht tegen de chipsindustrie, maar constateerde: ‘Wat is echter door deze twee stakingen gebleken? Dat niets in de diamantindustrie zo winstgevend was als het fabriceren van chips. De chipsfabricage nam in een paar jaar een ongekende vlucht.’

Thuiswerk. Er ontstond ook een stevig dispuut over thuiswerk. Dat werd vaak door vrouwen verricht, in niet altijd plezierige omstandigheden: op donkere zoldertjes en ‘onder de stoep’ zaten de dames aan hun slijpmolen. Bovendien werd dit als oneerlijke concurrentie beschouwd, want de vrouwen konden hun tijd indelen zoals zij wilden en goedkoper werken. De manier waarop men zich mocht uiten in het Weekblad was vaak verbijsterend, zoals toen in november 1897 een ingezonden stuk verscheen dat heden ten dage vanwege het vrouwonvriendelijke en beledigende karakter een opstand teweeg zou brengen. In lange retirade licht de schrijver van dat stuk openbaar zijn gevoelens toe: ‘Het bovenstaande is wellicht een beetje bruut gezegd. Ik kan het heus niet helpen. Ik werd zo kriegel toen ik in de brieven der heren Sturkop & Co., Roeg & Co. en Judels & Co. las, dat al die firma’s reeds lang de huisarbeid hadden willen afschaffen, doch dat de snijdsters het zelf niet wilden. Verdomd! De doorvoering van die broodnodige maatregel wordt, nota bene nog wel daar waar het ’t gemakkelijkst zou gaan, gedwarsboomd door degenen die er het meeste belang bij hebben. Verlies daar nu eens niet je geduld bij. De geduldigste mens wordt nog wel eens driftig, en ik ben om de drommel de geduldigste mens niet. En als ik boos ben en bitter, dan zeg ik boze en bittere dingen. En ik was bijzonder geprikkeld door de akelige pruderie van die dametjes – vandaar mijn heftige spot.’ Een jaar later eiste de ANDB van de juweliers afschaffing van deze huisarbeid. Men kende slechts twee argumenten voor het bestaan van de huisindustrie: ‘luiheid en uitbuiting’. Maar vooral leek huisarbeid een factor tegen het streven naar de achturige werkdag. Men eiste dat alle snijders en snijdsters, werkzaam voor één patroon, op één of meer goed ingerichte werkplaatsen zouden werken, ‘zodat daarmee het zitten onder de stoep en op zolder voorgoed een einde zal nemen’. De bond verlangde dat alleen nog gesproken kon worden van bijvoorbeeld het ‘atelier-Sturkop’ dat van thuiswerkend personeel geen sprake meer zou zijn.