Maurits Nijkerk & Zonen.

Maurits Nijkerk (Mozes Barend Benjamin Nieuwkerk) was de oudste kleinzoon van Mozes Barend Nieuwkerk en Duifje Koopman Sturkop. Hij werd in Amsterdam geboren op 15 juli 1877, als zoon van Benjamin Nieuwkerk en Bluma Flora Kleinmann. Zijn plaats in de genealogie van het geslacht Nieuwkerk is opgenomen in www.sturkop.nl\genealogie. Zijn plaats in de onderneming die bekend stond als de IJzerdynastie B.J. Nijkerk N.V. wordt duidelijk uit onderstaand schema.


Net zoals vele naamgenoten noemde hij zich Nijkerk, maar hij liet zijn naam nooit officieel veranderen. Anders dan zijn naaste verwanten nam hij geen deel in de onderneming. In zijn jonge jaren, toen hij nog bij zijn ouders woonde, stond hij te boek als kantoorbediende, wellicht toentertijd voor korte tijd bij het familiebedrijf. Zijn twee broers (en later zijn drie zoons) brachten, samen met hun neef Marinus (Bob) Nijkerk, het toch al welvarende slopers- en metaalconcern tot grote hoogte. Maurits’ grootvader Mozes Barend Nijkerk behoorde in 1886 al tot de hoogst door de directe belastingen aangeslagen inwoners van de provincie Noord-Holland.

Hij woonde tot februari 1905 bij zijn ouders, achtereenvolgens aan de Plantage Kerklaan, de Nieuwe Keizersgracht en in een benedenwoning aan de Sarphatistraat. Maurits trad op 14 februari 1905 in het huwelijk met Judith Sara de Vries, die luisterde naar de roepnaam Juliette. De inzegeningen vonden op dezelfde dag plaats; zowel de choppe in de Nieuwe Synagoge en het burgerlijk huwelijk in het Stadhuis. Maurits Nijkerk was geen kleine man voor zijn tijd: 1,80 meter lang. Hij had bruine ogen en donkerblond haar.

Maurits was toen 27 jaar en had, samen met een zakenpartner, voordien al het importbedrijf in tabak M.B. Nijkerk & Co. opgericht. In de jaren tot en met 1907 zien wij melding van import vanuit Indië. Het echtpaar ging aan de Stadhouderskade 88 wonen, alwaar hun drie zonen ter wereld kwamen. Deze handel in tabak was van tamelijk korte duur.
De samenwerking tussen Mozes Barend Benjamin Nijkerk en Gustave Stokvis en de firmanaam werden officieel middels akte bekrachtigd op 10 mei 1906 . Maar op 31 december 1906 was de vennootschap alweer ontbonden, waarbij de heer Stokvis de naam mocht blijven voeren.

Desondanks zien we vervolgens dezelfde naam M.B. Nijkerk & Co. onder auspiciën van Maurits Nijkerk terug als handel in granen, nog steeds gevestigd aan de Oudezijds Voorburgwal. Van 1905 tot 1916 hield men kantoor op de nummers 322-324; daarna was het bedrijf te vinden op nummer 290, bekend als De Brakke Grond. Misschien had Gustave Stokvis de zaak toch niet onder die firmanaam voortgezet, want niet veel later verbleef hij onder andere in de Verenigde Staten en keerde niet terug naar Amsterdam.

M.B. Nijkerk & Co., werd in 1921 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, als voortzetting van de bestaande firma, een agentuur en commissiehandel in buitenlands graan, oliezaden, kopra, enzovoort. Het jaar van vestiging was 1920; er waren huwelijkse voorwaarden van kracht. Er waren nogal wat mutaties, zoals het ontslag van een procuratiehouder en uittreding van oude en intrede van nieuwe mede-eigenaren: naast Maurits Nijkerk zelf waren er ook andere eigenaren van de vennootschap. Ook de ondernemingsvorm werd tussentijds aangepast. In Rotterdam was een filiaal aan de Gedempte Binnenrotte, onder de naam M.B. Nykerk & Co., maar dat werd al in 1922 opgeheven. In 1928 trad de laatste andere eigenaar uit en zette Nijkerk de zaak alleen voort. De ondernemingsvorm werd dan: nu graancommissiezaken en voor eigen rekening. Vroeg in 1931 werd de firma opgeheven. Maar toen Maurits Nijkerk in 1941 overleed stond hij nog te boek als ‘meelagent.’

Halverwege 1913 was het gezin verhuisd naar een bovenwoning aan de Nicolaas Witsenkade 12 bovenhuis, waar zij tot begin 1922 bleven. Vanaf februari 1922 woonden zij aan de Jan Luykenstraat 72, in het benedenhuis.

In 1923 bracht Maurits Nijkerk in een advertentie, als lid van een comité, kiesadvies uit ten gunste van een zekere A. Asscher van de Vrijzinnig Democratische Bond. Dit betreft Abraham Asscher, in de oorlogsjaren een der voorzitters van de Joodsche Raad. De heren zouden nog veel samenwerken. In datzelfde jaar bracht ook Maurits’ achterneef dr. Stephan Sturkop het advies uit om op de Vrijzinnig Democraten te stemmen.
In 5 december 1924 werd Nijkerk geïnstalleerd als lid van het kerkbestuur der Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, waartoe hij met bijna algemene stemmen werd benoemd. ‘Door familietraditie aan de Joodse gemeente verbonden’, zo schreef men over hem. Hij werd door een medelid ‘schertsenderwijze’ de ‘baby’ van het kerkbestuur genoemd. Bij de installatie werd gememoreerd, ‘zinspelend op de eigenlijke naam bij de Burgerlijke Stand (Nieuwkerk), dat dit het gelukkig voorteken werd geacht dat bij de bouw van nieuwe kerkgebouwen, de heer Nijkerk zijn intrede deed in het kerkbestuur.’ In de loop der jaren verrichte Maurits Nijkerk vele openbare taken namens het kerkbestuur. Zo had hij in 1927 zitting in een commissie onder gezag van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge over verbouwing van rituele vleeshallen (in de Nieuwe Kerk en in de Amstelstraat) in verband met de vleeskeuringswet. Een vergadering over dat onderwerp stond onder zijn presidium. In 1929 was hij nog steeds lid van de bouwcommissie bij de verbouwing van die vleeshallen.

In datzelfde jaar werd hij voorzitter van de ‘Vereniging tot oprichting en instandhouding ener Nijverheidsschool in de buurt Uilenburg’.

Voor zijn werk als voorzitter van deze vereniging werd M.B.B. Nijkerk bij Koninklijk besluit van 4 maart 1933 onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Maurits Nijkerk hield een aantal toespraken, zoals in september 1930 in het kader van de nijverheidsschool, waarbij de vereniging Beis Jisroeil (het ‘Joods Ons Huis’, dat zich richtte op ‘ontwikkelings-, opvoedings- en beschavingsarbeid’) ter sprake kwam (over zichzelf sprekende in de derde persoon enkelvoud): ‘Men zou kunnen denken dat zijn gevoelens uit egoïsme voortspruiten, dat hij blij is Beis Jisroeil kwijt te zijn. Dit gevoel is hem echter geheel vreemd. Toen 10 jaar geleden de noodzakelijkheid van het werk van Beis nog niet zo werd ingezien en men er nog enigermate schroomvallig tegenover stond, hebben [] begrepen dat de Vereniging in een behoefte zou voorzien. De bevolking der school toch komt uit een milieu waarvoor morele opvoeding nodig was. de school draagt een ongelukkige naam. Nog ongelukkiger is het, dat deze naam op de kinderen van toepassing is. Reeds lang was door de schoolcommissie de noodzakelijkheid ingezien, om de kinderen bij het verlaten der school iets mee te geven. Gaarne heeft zij dan ook aan het verzoek van Beis, om van de lokalen der school gebruik te mogen maken, gevolg gegeven. Spijt heeft men er nooit van gehad, te minder, toen men zag, dat het werk vooruitgang en resultaten had. Kwesties zijn er nooit geweest. Spreker hoopt dat in het nieuwe gebouw het werk der vereniging dezelfde groei als in de afgelopen jaren zal komen’.

In de maand daarop, op 24 oktober 1930, overleed Juliette Nijkerk-de Vries. Maurits’ echtgenote werd na haar dood herinnerd in het Centraal Blad voor Israëlieten: ‘Zij was de waardige gade van het lid van het Kerkbestuur, de heer M.B. Nijkerk. Ze was een aantal jaren regentes van het N.I. Meisjesweeshuis en ze werd geroemd om haar eenvoud, vriendelijkheid en de liefdevolle wijze in die taak’. Er was zeer grote belangstelling bij haar begrafenis op Muiderberg. Enkelen hielden toespraken, onder wie mr. dr. M.I. Prins. (Diens naam geeft hits op internet, o.a. als jurist, opperrabbijn, lid van de Joodsche Raad.) Judith de Vries werd 55 jaar. Duidelijk is dat zij evenmin als haar echtgenoot stil heeft gezeten.

In mei 1933 werd Maurits Nijkerk secretaris van een ‘Economische Commissie voor het verlenen van commercieel en juridisch advies, in industriële en handszaken voor Joden in Nederland’. De correspondentie kon aan zijn adres in de Jan Luykenstraat worden gericht. In de jaren nadien ziet men hem vaak optreden namens het kerkbestuur van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge. In 1936 traden enkele leden (herkiesbaar) af als lid van de Centrale Commissie tot de Algemene Zaken het Nederlands-Israëlitische kerkgenootschap. Behalve M.B. Nijkerk zien we onder andere bekende namen ook A. Asscher en prof dr. D. Cohen, bieden de latere voorzitters van de Joodse Raad.
Toen de nieuwe synagoge in de Lekstraat in oktober 1936 aanbouw was legden leden van het kerkbestuur en van de commissie voor de bouw een gedenksteen annex hoeksteen. Het kerkbestuur met haar rabbijnen en penningmeesters waren daarbij aanwezig. De steen werd mede gelegd door o.a. Abraham Asscher, voorzitter van de Kerkenraad.

Er zijn meldingen van activiteiten naast Maurits’ kerkelijke taken, zoals zijn toelating in 1937 als gewoon lid van het Genootschap Amstelodamum. In dat jaar was hij ook secretaris van het hoofdbestuur van de Vereniging tot steun van het Nederlands-Israëlitische seminarium. In mei 1937 fungeert hij gedurende het lopende jaar als voorzitter van het kerkbestuur van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge. Een maand later blijkt ook dat Maurits Nijkerk voorzitter was van het synagogaal ressort Noord-Holland.

Maurits Nijkerk krijgt op 30 juli 1937 ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag een diner aangeboden, als voorzitter van het Kerkbestuur der N.I.H.S. (Zittend, tweede van rechts.)

Op enig moment, tegen het einde van de jaren dertig, verhuisde Maurits Nijkerk naar de Oranje Nassaulaan, waar hij inwoonde bij een zekere Jacques Bernard Picard, die administrateur was bij de Joodsche Raad. Nijkerk heeft de oorlogsjaren slechts kort beleefd. Op 10 maart 1941 is hij in Amsterdam overleden, 63 jaar oud. Zijn drie zoons plaatsten een overlijdensannonce voor hun vader; Dolf vanuit Amsterdam, de beide anderen vanuit Brussel. Hij was Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij ligt begraven te Muiderberg. Behalve de drie nog ongehuwde zoons plaatsten nog anderen een rouwannonce.

Na zijn dood werd de naam van Maurits Nijkerk verbonden aan de school die voortvloeide uit zijn inspanningen ten behoeve van het nijverheidsonderwijs. In het jaar van zijn overlijden werd ook ‘zijn’ school getroffen door de maatregelen van de Duitser bezetter. Op 29 augustus 1941 werd een wet uitgevaardigd waarin het Joodse leerlingen verboden wordt nog onderwijs te ontvangen aan openbare onderwijsinstellingen. ‘De Joodse voorzitter van het schoolbestuur van de Derde Ambachtsschool aan het Timorplein. M.B. Nijkerk, neemt zelf ontslag, tot spijt van de Maatschappij. Weliswaar stelt Nijkerk voor in de Timorpleinschool een aparte Joodse schoolruimte in te richten, maar het Maatschappijbestuur aarzelt op haar vergadering van 3 september 1941 hier op in te gaan en wil wachten op een initiatief van de Joodsche Raad. Er komt niet een antwoord zoals de Maatschappij dat hoopt of wenst. Alle leerlingen van de Timorpleinschool moeten op 31 september 1941 langs de conciërge defileren, die alle leerlingen stuk voor stuk vraagt of ze Joods zijn. Als men deze vraag bevestigend beantwoordt, volgt de mededeling dat men de volgende dag niet meer hoeft terug te komen. De 103 Joodse kinderen die dit lot zo onverwacht treft, halen hun spulletjes op uit de diverse lokalen en komen niet meer terug. Inmiddels heeft de Joodsche Raad het vakonderwijs voor Joodse scholieren opgepakt en wordt op 17 december 1941 de M.B. Nijkerkschool geopend aan Rapenburgerstraat 128. Nijkerk zelf is inmiddels overleden; een zoon bedankt voor de eer zijn vader aangedaan. Van de 103 Joodse leerlingen van de Timorpleinschool worden er voor zover bekend in ieder geval 84 om het leven gebracht.’
De M.B. Nijkerkschool (Nijverheidschool van de Joodsche Centrale Beroepsopleiding) werd geopend in aanwezigheid van onder anderen prof. Cohen, voorzitter van de Joodschen Raad. De school verzorgde cursussen en leergangen voor ongeveer 1300 personen. De M.B. Nijkerkschool bestond oorspronkelijk uit ‘losse’ cursussen – meubelmaken, stofferen, behangen etc. ‘De school ontving de naam ter herinnering aan de man, die zoveel voor het Joodse nijverheidsonderwijs voelde en deed. Een zoon van M.B. Nijkerk dankte voor de eer zijn vader aangedaan.’ Wie van de drie zoons dit is geweest werd er niet bij vermeld: Benno en Hugo verbleven toentertijd in België; alleen Dolf woonde nog in Amsterdam. Tot in 1943 verschenen er nog annonces voor de ambachtsschool M.B. Nijkerk in de kranten. Er zijn dan scholen in de Rapenburgerstraat, de Muiderstraat en aan het Westeinde. Er werd in allerlei vakken onderricht gegeven, zoals horlogemaken, fotografie, optiek en vele andere. Opvallend is het dat geïnteresseerden zich moeten aanmelden in de Hemonylaan 27, Maurits’ vroegere adres. Ook zijn zoons woonde daar al niet meer. Op dat adres was de Joodsche Centrale voor Beroepsopleiding gevestigd.

Maurits en Juliette Nijkerk kregen drie kinderen: op 2 oktober 1906 Benjamin Maurits (Benno), op 27 maart 1910 Adolf Maurits (Dolf) en ten slotte op 5 september 1911 Hugo Karel Maurits (Hugo). Zij noemden zich alle drie Nijkerk, maar alleen voor de twee jongsten werd na de oorlog de wettelijke naamsverandering doorgevoerd.
De drie zoons, die allen de Handelsschool hadden voltooid, traden tot het familiebedrijf Nijkerk toe. Hugo werkte in zijn jeugd nog enige tijd bij het graan- en exportbedrijf van zijn vader.

Benno Nijkerk speelde een vooraanstaande rol in het verzet en hielp zo de levens redden van meer dan duizend mensen. Over hem is een eigen artikel aangeboden voor het kwartaalblad Misjpoge.

Dolf Nijkerk was een fervent zionist, die desondanks trouwde met een katholieke vrouw. Hij ontkwam in de oorlog naar Engeland en ging daar in militaire dienst. Daar ontmoette hij in een legermess Margreth Page. Zij was WREN (Women’s Royal Naval Services) bij het vrouwencorps. Vanaf 1945 tot 1975 leidde hij op succesvolle wijze de Wiener & Co. Machinefabriek, de machinetak van het concern Nijkerk. In 1957 verruilde hij Amsterdam voor Bussum. Dolf is ruim 70 jaar geworden. Hij overleed in december 1980.

Hugo Nijkerk nam samen met broer Benno in 1938 de leiding over van de Belgische tak van het concern Nijkerk. In de oorlog zat hij bij de Prinses Irene Brigade. Hij zat op een brengun carrier en deed mee aan de bevrijding van Brussel. Daarna stootte zijn onderdeel door naar het oosten. Toen zij te ver voor de troepen uit reden werden zij in brand geschoten. Hugo werd met moeite Hugo bevrijd, maar de hitte had zijn ogen verwoest. Uiteindelijk volgde Hugo Nijkerk zijn Marinus (Bob Nijkerk) definitief op in Brussel. Zijn broer Benno was immers in de oorlog omgekomen. Daarnaast was hij ook vennoot van B.J. Nijkerk in Nederland en vennoot van Wiener & Co. Na 1945 had Hugo Nijkerk grote moeite om de in moeilijkheden verkerende firma B.J. Nijkerk weer op de rails te zetten, want alles was verwoest en de kas was leeggeroofd. Hugo Nijkerk is jarenlang voorzitter geweest van de Nederlandse Schrootvereniging en ook vier jaar president van de Wereld Recycling Organisatie, waarin 52 landen waren vertegenwoordigd. Het Bureau of International Recycling werd in 1948 opgericht in het Amstelhotel tijdens de receptie van B.J. Nijkerk N.V., op de dag dat de firma 125 jaar bestond. Op 15 november 1969 is Hugo Nijkerk in Brussel gestorven, in de ouderdom van 58 jaar. Hij was Ridder in de Kroonorder van België. De Federatie van Verenigingen van Handelaren in Oude Materialen en Afvalstoffen berichtte: ‘Zijn persoon, zijn visie en zijn voortreffelijk beleid, gepaard aan beminnelijkheid, hebben zeer belangrijk bijgedragen tot de ontwikkeling van het organisatieleven in onze branche. Op de door hem gelegde basis zullen wij voortbouwen’ en anderen voegden daaraan toe: ‘Zijn wijs en menselijk oordeel zullen wij node missen’. Hugo Nijkerk was getrouwd met Kobi von Scholtz. Zij was Vietnamese van geboorte en als meisje geadopteerd door Baron Von Scholz. Ook zij speelde een stevige rol in de onderneming.

Over deze familie Nijkerk en hun professionele leven staat meer vermeld op www.sturkop.nl\genealogie.

 

 

Keizer & Waterman

Ik vroeg me altijd af of er nog foto’s zouden zijn – en zelfs getuigenissen – van Marcus Sturhoofd, die in 1938 stierf. Hij was getrouwd met Grietje Waterman. Zij en hun beide dochtertjes werden in 1943 in Sobibor om het leven gebracht. Ik wist dat de tweelingbroers van Grietje waren getrouwd met twee zussen Keizer. Een van die twee echtparen had een dochter; zij emigreerden in 1951 naar de USA.
Door een toeval – zoals zo vaak – stuitte ik op de naam van die dochter. Ik dacht een korte vraag te kunnen stellen, maar het werd een lang verhaal. Deze maand kon ik het tweede deel van ‘Van Keizers & Watermannen’ voltooien.

Het eerste boek kwam tot stand in samenwerking met de dochter, nu 83 jaar jong. Verdere samenwerking met haar en met een flink aantal andere nakomelingen en familie leverden het tweede deel op. Een indrukwekkend stuk geschiedenis, prima gedocumenteerd en voorzien van talloze foto’s kon hierdoor worden vastgelegd. Daarin zie we:

  1. De emigratie in 1906 van het echtpaar Keizer-Rooselaar naar Engeland, met hun oudste dochter.
  2. De terugkeer in Amsterdam in 1924, nu zes kinderen rijk.
  3. De oorlogsjaren van het echtpaar Keizer-Rooselaar, die na een verblijf in Westerbork wegens hun (deels verzonnen; allen hun vijf jongere kinderen hadden ook een Brits paspoort) Britse nationaliteit in het Franse interneringkamp Vittel terechtkwamen.
  4. Samen met hen verbleven daar hun drie jongere dochters, hun kleinkind (mijn hierboven genoemde medeauteur) en de echtgenoten van de twee oudste dochters. De jongste dochter zou haar echtgenoot in Vittel leren kennen.
  5. De internering van de oudste dochter met haar man in Bergen-Belsen en haar treinreis daarvandaan, die in Farsleben tot een einde kwam door ingrijpen van een Amerikaanse eenheid. Ik meldde dit al eerder op deze site.
  6. De oudste zoon was in 1938 naar Engeland teruggekeerd en voerde vanaf 1943 bij de RAF als waarnemer-bommenrichter een groot aantal vluchten uit boven Normandië, Nederland en Duitsland. Zijn relaas is – mede door zijn vliegers-logboek en uitgebreide defensiearchieven – bijna dag voor dag te volgen.
  7. De jongste zoon werd vanwege zijn Britse paspoort uit de trein naar Auschwitz gehaald en geïnterneerd in kamp Kreuzburg, in het huidige Polen. In 1945 werd het kamp geëvacueerd en kwam na een lange treinreis terecht in Spittal in Oostenrijk, van waaruit hij na een paar maanden werd gerepatrieerd. Zij dag voor dag bijgehouden dagboek biedt een volledig beeld van zijn belevenissen aldaar.
  8. Kort na de oorlog emigreerden eerst de twee jongste dochters met hun echtgenoten naar Amerika, niet lang daarna gevolgd door het echtpaar Keizer-Rooselaar met de tweede dochter en haar gezin. Niet lang daarna volgden ook de beide broers.
  9. Alleen de oudste dochter bleef in Nederland. Zij hertrouwde, verbleef enige tijd in Nederlands Indië, maar keerde al spoedig terug naar Amsterdam.
  10. De jongste dochter is nog in leven. Onlangs werd zij in Florida 100 jaar.

Door alle communicatie met de familie en de uitgebreide archieven en internet zijn hun levens nu (hopelijk) voorgoed vastgelegd. Waar het mee begon is en passant meegenomen: foto’s van het gezin Sturhoofd-Waterman en herinneringen van mensen die hen nog gekend hebben.

Eén kleinzoon haalt regelmatig de kranten, zelfs de Nederlandse: hij is schatgraver op een eiland voor de kust van Chili.

Diamantbewerkers Sturkop en Sturhoofd

In het kader van het project Vele Handen (www.velehanden.nl) hebben vrijwilligers de lidmaatschapskaarten en leerlingkaarten van Amsterdamse diamantbewerkers, die lid waren van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) waren, helpen digitaliseren. De site biedt een schat aan gegevens die op een andere manier niet boven water kwamen. Zo ziet men welke vakken zij uitoefenden. In het geval van de naamgenoten Sturkop en Sturhoofd betreft dit:
* Vakgroep 2: briljantslijpersknechten.
* Vakgroep 4: briljantsnijders en -snijdsters.
* Vakgroep 7: roosjessnijders en -snijdsters.
De briljantslijpersknechten werden zo genoemd ter onderscheid van de briljantslijpersbazen, die zelfstandig werkten en briljantslijpersknechten in dienst hadden. Deze ‘knechten’ waren dus gewoon diamantbewerkers, in loondienst. De roosjessnijders bewerkten de ‘roosjes’, diamant van wat mindere kwaliteit dan de briljant.
Daarnaast zien we dat de adressen van sommigen niet in het Bevolkingsregister terug te vinden zijn. Vaak maken zij dan een vakmatig uitstapje naar bijvoorbeeld Antwerpen – vaak voor tamelijk korte tijd. Ook zien we waarom sommige diamantbewerkers afscheid namen van de bond – of moesten nemen, zoals in 1942. Ten slotte leren we dat een Poolse diamantbewerker een tijdje inwoonde bij een van onze naamgenoten.

Elisabeth Sturhoofd (Deel II hoofdstuk 36) werd lid in oktober 1904. Zij was roosjessnijdster. In september 1917 bedankte zij wegens voortdurende werkloosheid. Zij was toen 59 jaar. Elders zagen we al dat zij vaak een werkloosheidsuitkering ontving. Elisabeths jongere broer Hijman Sturhoofd (Deel II hoofdstuk 40) was al lid sinds augustus 1898. Hij was briljantsnijder. In september bedankte hij wegens zijn pensionering. Tot en met 1941 leverde hem dat iets meer dan honderd gulden per jaar op. Wat niet bekend was is dat hij in februari 1940 terecht kwam in het Oudeliedengesticht aan de Nieuwe Keizersgracht. Lang heeft dat niet geduurd, want vanaf september van dat jaar woonde hij, zoals bekend, in de Vrolikstraat. Uitgezocht moet worden of de Joodse bewoners van dat ‘gesticht’ als gevolg van maatregelen van de Duitse bezetter verplicht moesten verhuizen. 1940 was weliswaar nog tamelijk vroeg in de oorlog, maar verhuizing naar de Transvaalbuurt gebeurde niet veel later op grotere schaal. Op zijn 69ste levensjaar moest hij dus nog het onderkomen van zijn oude dag verlaten. Marcus Sturhoofd (Deel III hoofdstuk 26) was van 1907 tot september 1909 leerling, onder meer bij J. Sturhoofd in de fabriek van Hekster. Dat betreft Marcus’ oom Jacobus Sturhoofd (Deel II hoofdstuk 38), een broer van bovengenoemde Elisabeth en Hijman. Marcus bleef lid van de ANDB tot november 1922 en werd opnieuw lid in februari 1937. Hij is een voorbeeld van een korte tussenstop in Antwerpen: twee weken in mei 1913. Hij moest ook in militaire dienst: in december 1917 maakte hij onderdeel uit van het 18de regiment infanterie, 2de compagnie. Dat duurde tot juli 1918. Twee maanden later diende hij weer in datzelfde onderdeel, nu voor twee maanden. Marcus Sturhoofd was briljantslijpersknecht. Alexander Sturkop (Deel III hoofdstuk 33) was eveneens briljantslijpersknecht. Als leerling werkte hij van mei 1917 tot juli 1919 bij M. Sturkop, in het atelier Prinses Marie. We kunnen ervan uitgaan dat dit Alexanders vader Maurits was (zie hieronder), van wie we meteen weten dat hij er een eigen activiteit op na hield. Alexander Sturkop was vanaf juli 1919 lid en bedankte in oktober 1920, omdat hij voor een ander vak had gekozen. Zo af en toe maakte hij uitstapjes van meestal korte duur naar Antwerpen. In oktober 1923 werd hij opnieuw lid van de ANDB, wat duurde tot mei 1942, toen hij werd afgevoerd wegens ‘verwaarlozing van zijn lidmaatschap’. Hij werkte inderdaad niet meer als diamantbewerker, want we zien dat hij al in december 1936 kantoorbediende werd, kennelijk bij de Algemeene Nederlandsche Handelsmaatschappij. Hij had nog twee naamgenoten die in de diamantbewerking zaten. Alexander Sturkop (Deel III hoofdstuk 34), zoon van Jacob Sturkop, was briljantslijpersknecht. Hij was lid sinds januari 1937 en ‘bedankte’ in 1942 op grond van verordening Rk. 199/41 28-3-1942 en ‘ging over naar’ Betsalel. In 1942 werd het voor Joden verboden om nog langer lid te zijn van de ANDB. Het NIW schreef daarover: ‘Het bestuur van de Vereeniging van Israëlietische Diamantbewerkers ‘Betsalel’ deelt mede, dat op grond van de Verordening van den Rijkscommissaris No. 199/41, alle Joodsche diamantbewerkers(sters) moeten bedanken als lid van den Alg. Ned. Diamantbewerkersbond. Tegelijk moeten zij aanvragen, als lid te worden ingeschreven van ‘Betsalel’. Dat lot trof ook Alexanders vader Jacob Sturkop (Deel III hoofdstuk 17). Hij was eveneens briljantslijpersknecht en lid vanaf maart 1900. Van mei 1901 tot februari 1905 zat hij in Londen, werd militair in mei 1908. In de periode van januari 1912 tot 1921 verdween hij enkele malen naar Antwerpen. Na tussentijdse opzegging werd hij weer lid in maart 1934. Ook hij ‘bedankte’ op last van de Duitse bezetter. Lodewijk Sturkop (Deel III hoofdstuk 21) was als leerling vanaf mei 1929 bij I.J. Asscher van de fabriek Asscher. Zijn verdere verloop is hier niet weergegeven, maar we wisten al dat hij zich niet verder in dit vak bezighield. Louis Sturkop (Deel III hoofdstuk 35) was lid sinds juli 1933. Hij bedankte in juli 1936, maar trad vier maanden opnieuw toe tot de ANDB. Net als zijn vader Jacob en broer Alexander werd hij in 1942 door de bezetter gedwongen om toe te treden tot ‘Betsalel’. Van november 1947 tot 1951 was hij weer lid. Mozes Salomon Sturkop (Maurits, deel III hoofdstuk 15) was al lid vanaf januari 1898. Zijn lidmaatschap werd enkele malen onderbroken vanwege werk in Antwerpen, maar in augustus 1925 bedankte hij definitief voor de bond vanwege zijn definitief vertrek naar die stad. Tot slot de laatste Alexander Sturkop (Deel III hoofdstuk 13), zoon van Isaäc Sturkop. Hij was leerling bij verschillende bazen en kreeg zijn diploma van briljantslijpersknecht in september 1912. Alexander verliet het vak in december 1917.

Het verloop van de levens van bovengenoemde personen is terug te vinden in de delen II en III van de genealogie Sturkop & Sturhoofd of kan gevolgd worden op de website http://publiek.sturkop.nl/haza21/startpagina.htm.

Van Straalen, Bredius, De Blécourt, Kaestner.

Vandaag rondde ik de kwartierstaat af, in boekvorm, van mijn grootmoeder Catharina Maria Jacoba van Straalen (Koosje). Daarin haar uitvoerige en zo volledig mogelijke levensbeschrijving en die van haar ouders, grootouders, broers en zussen, oom en tantes en een kijkje in de geslachten Van Straalen, Bredius, De Blécourt, Kaestner.

De volgende personen komen daarin voor, met hun eigen gezinnen en andere personen die hun levens beïnvloedden:

  • Koosje van Straalen zelf
  • Paul Emile van Straalen
  • Catharina Bredius
  • Jacobus Henri van Straalen
  • Gerritdina Kaestner
  • Jan Gijsbert Bredius
  • Anna Gerredina de Blécourt
  • Catharina Paulina Emilia van Straalen
  • Johan Wilhelm van Straalen
  • Wilhelmina Gerardina van Straalen
  • Paul Emile van Straalen
  • Carolina Gesina Wilhelmina van Straalen
  • Johanna Paulina Louisa van Straalen
  • Johannes Willem van Straalen
  • Maria Jacoba van Straalen
  • Jan Gijsbert Bredius
  • Willem Elias Bredius
  • Anna Gerridina Bredius

In totaal 114 bladzijden.

Maya van Horn – Actrice

Alweer een loot aan de uitgebreide artistieke tak van de grote negentiende-eeuwse entertainer Nathan Judels: Maya van Horn. Haar echte naam was Rosa Menagé Challa. Ze werd op 26 december 1896 in Amsterdam geboren als dochter van de Amsterdamse deurwaarder Theo Menagé Challa en Rozette Judels. Een gemengd huwelijk: Theo was van huis uit Nederlands Hervormd; Rozette Joods. Maar bij beiden stond in het Bevolkingsregister: ‘geen geloof’.

Eerst een terugblik. Maurits Judels (Rosa’s grootvader), de jongste kleinzoon van Nathan Judels, had succes als stage manager van het Metropolitan Opera House in New York. Zijn drie zonen kwamen al eerder aan bod: Nico, Jules en Charles verdienden hun sporen aan het toneel en in films in Amerika. Over zijn dochters is minder gesproken, maar zij kwamen, zoals dat heet, goed terecht. De oudste, Annie Julia Judels, trouwde eerst met de effectenhandelaar David Cohen de Boer en – na hun scheiding – met Willem (Marie Willem Frederik) Treub, econoom en Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel en later Minister van Financiën. De jongste dochter, Adèle Judels, trad in Amerika in het huwelijk met de architect Albert Buchman, die vele bezienswaardigheden in New York heeft nagelaten. De middelste dochter, de bovengenoemde Rozette Judels, was de moeder van een zoon, die al jong naar Amerika emigreerde en drie dochters, onder wie Rosa Menagé Challa.

 

Rosa en haar zus Annie Menagé Challa. Door de Oostenrijkse schilder Dario Rappaport. Rond 1921.

 

Rosa was de enige van de drie zussen die actrice werd. Haar oudere zus Elizabeth bleef na een kort huwelijk vrijgezel en bleef tot op gevorderde leeftijd in de woning van haar ouders wonen, aan de Weteringschans. De jongste zus, Annie Julia, trouwde met een onderwijzer in Den Haag.

Rosa zal naast haar talent zijn geïnspireerd door haar ooms in Amerika. Rosa – ook wel Roosje – stond al jong op de planken. Veel van haar optredens is niet bewaard gebleven resp. uitgezocht. Rond 1914 maakte zij deel uit van het Hollandsch Tooneel, waar zij met indertijd bekende acteurs speelde. Er is zelfs een uiterst kort fragment van haar in een stomme film op internet te zien. En er zijn enkele foto’s van haar op toneel.

Rosa is nogal veel op reis geweest. Zij trouwde in juni 1922 te Kopenhagen met de Deen Kaj Horn Lassen, maar hun scheiding volgde drie jaar later. In augustus 1934 was zij terug bij haar ouders aan de Weteringschans. Ze kwam uit Berlijn, waar zij te eniger tijd na haar vertrek uit Kopenhagen moet zijn gaan wonen. In december van dat jaar vertrok zij alweer naar de Duitse hoofdstad. Men kan denken aan een langdurig artistiek werkverband in die stad. In juli 1937 trekt zij weer even in bij haar ouders, om in september alweer te vertrekken, ditmaal naar Brussel. Twee jaar later komt zij weer terug aan de Weteringschans en vertrekt in maart 1938 naar Capri. Dit kan te maken hebben gehad met haar beroep. Ze moet vandaaruit al snel opnieuw naar Berlijn zijn verhuisd, want vanuit die stad keert zij in november 1938 terug naar haar ouderlijk huis. Heel kort, want Rosa vertrekt voorgoed naar Amerika; zij wordt in Amsterdam uitgeschreven naar New York. Haar oom Jules Judels is dan nog altijd stage manager van het Metropolitan Opera House, een job die hij tientallen jaren eerder overnam van zijn vader. Oom Charles zou nog lang in leven blijven.

Vele jaren later zal zij verklaren dat haar vertrek een weloverwogen besluit was geweest. Ze had al jaren in Nederland op het toneel gestaan, o.a. met Louis Bouwmeester. ‘Dat was misschien wel de mooiste tijd van mijn leven. Toch bleef altijd een verlangen om vreemde landen te zien en vooral Amerika.’ Ze had haar besluit definitief genomen in Berlijn, omdat zij inzag dat het spoedig mis zou gaan in Europa. De naam Bouwmeester komt niet zomaar uit de lucht vallen: de grote acteur maakte heel lang deel uit van het gezelschap van Nathan Judels en was bevriend met meerdere eigentijdse familieleden.

In Amerika heette zij niet langer Rosa Menagé Challa. Ze stond daar – en ook in Nederland – bekend als Maya van Horn. Die naam roept veronderstellingen op: haar ex-echtgenoot heette Horn en haar volle nicht, de ijsdanseres May Judels (dochter van Rosa’s oom Charles Judels) was in New York jarenlang de regisseur van de befaamde ijsrevues van de Olympisch kampioene Sonja Henie. Ook May’s vader, Rosa’s oom, zou nog lang leven. We weten dat Rosa in Hollywood terechtkwam, waar niet alleen Charles Judels in de buurt woonde, maar ook Rosa’s oudere broer Teddy.

Vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog meldde de Amigoe de Curacao dat Maya van Horn (‘een nicht van de vroegere Minister-President Treub’) een contract had getekend met ’20th Century Fox’, om een rol te spelen in de film Dragenwyck. ‘Zij was een bekende actrice in Nederland waar zij met het gezelschap van Louis de Vries optrad. Ook in Amerika trad zij in enkele liefdadigheidsvoorstellingen op. Haar eigenlijke naam is Rosa Menage Challa’.

Willem Treub was weliswaar nooit minister-president, maar bekleedde wel tweemaal het ministerschap. Deze ‘oom’ was trouwens van tamelijk korte duur, want het huwelijk Treub-Judels duurde slechts iets meer dan tien jaar. De vraag doemt even op hoe Annie Julia Judels met hem kennismaakte. Alles in uiteraard mogelijk, maar veel eerder was dr. Stephan Sturkop al nauw bevriend geraakt met zijn mentor Hector Treub, een bekend gynaecoloog en een oudere broer van Willem Treub. Dat Sturkop en Annie Julia Judels nauw aangehuwd waren roept hierbij vermoedens op. Zo stuit je bij iedere vondst op een nieuwe aanwijzing.

In Amerika speelde Maya van Horn in 24 films en tv-series. Lijsten daarvan zijn op internet in te zien. Zij heeft nog een keer Nederland bezocht. De krant doet daarvan in oktober 1957 verslag: ‘Maya van Horn bezoekt Nederland vanuit Hollywood: op Schiphol vond een onstuimige begroeting plaats voor de uitgang: een weerzien tussen twee Hollandse vrouwen en hun in Hollywood wonende zuster’. Zelf vertelde zij dat zij voornamelijk kleine rollen speelde, maar vooral in haar studio jonge talenten opleidde voor een succesvolle carrière. Haar beste vrienden in Hollywood, zo meldde zij zelf, waren de acteur Tyrone Power, met wie zij optrad in ‘Mississippi Gambler’ en het echtpaar Mike Todd-Elisabeth Taylor.

Maya van Horn alias Rosa Menagé Challa lijkt dezer dagen geheel vergeten in Nederland. Wellicht heeft het vroegere Theaterinstituut op dat gebied nog iets te bieden. Zij is op 8 december 1983 in Los Angeles overleden, bijna 87 oud.

Nieuwe oogst Delpher: dr. Stephan Sturkop

De oogst van augustus 2019 van www.delpher.nl leverde weer eens een groot aantal hits op. Naast de al bekende sportfeiten over de tweeling Ans en Coks Sturkop en over dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22) valt over laatstgenoemde toe te voegen:

Dat hij deelnam aan hondententoonstellingen was reeds bekend, maar in juni 1912 wordt hij voorgesteld als lid van de Nederlandsche Vereeniging van Dwergspaniels. In 1918 wordt hij lid van de Kynologen Club Amsterdam. Dit vindt plaats in Café Former aan het Kleine Gartmanplantsoen. (Tezelfdertijd en -plekke wordt een zekere mevrouw S. Gobes, Weteringschans 110, lid van deze Kynologen Club Amsterdam. Zij blijkt Nanny (Marianne) van Buuren te zijn, echtgenote van Stephans achterneef Salomon Gobes, kleinzoon van Marianne Koopman Sturekop (Deel II – hoofdstuk 4). Toeval of gingen zij gewoon met elkaar om?).
In 1919 komt Stephans Prince Charles spaniël ‘Bob’ er bij die club goed vanaf, met onder meer een tweede prijs bij de reuen vanwege: ‘een hoog typische Prince Charles, met prima hoofd, ogen en oren, heeft een prachtige beharing en een zeldzaam mooi gangwerk, maar is helaas wat te groot’. Later in dat jaar krijgt Bob nog een vermelding van de keurmeester.

In verschillende vakbondsbladen komt uiteraard de ‘Kwestie Sturkop’ aan de orde. Ook de Vrijzinnig-Democratische Beweging plaats een lang artikel in haar blad, in 1925, wanneer een ander lid een oproep doet om geen stem uit te brengen bij de a.s. verkiezingen voor de Tweede Kamer, omdat ‘de heer Oud daar de handschoen opnam voor de controlerende geneesheer Stürkop te Amsterdam’. De redactie erkent dat hun de houding van deze geneesheer niet in alle opzichten sympathiek is. [] ‘Maar daar staat tegenover dat toen de heer Stürkop zijn taak aanving, die taak zeker een der moeilijkste was’ [].

Ook zien we wederom de bekende artikelen, nu in andere periodieken, over bijvoorbeeld de tentoonstelling over Drenthe in het Paleis voor Volksvlijt, Stephans benoeming tot secretaris van het comité Tentoonstelling van Zuid-Afrikaanse Producten, zijn deelname in het comité Huldiging Stadion 1937 en zijn inzet voor het H.L.O. De ‘Athletiekwereld’ meldt in 1937 het huwelijk van Stephans dochter Ans met Cor Ruurs, die K.N.A.U.-official blijkt te zijn.

Ten slotte een artikel uit oktober 1939, wanneer de directie van de Spoor- en Tramwegen een zilveren vloeimap krijgt aangeboden door de voorzitter van de Nederlandse vereniging van controlerende geneesheren, dr. Sturkop.

Nieuwe oogst Delpher: Nico Sturkop

De oogst van augustus 2019 van www.delpher.nl leverde weer eens een groot aantal hits op, met name over Nicolaas Robbert Sturkop (Nico, Deel III – hoofdstuk 25). Via het blad ‘Allen Weerbaar’ van de Koninklijke Nederlandsche Weerbaarheid-Vereeniging worden de twaalf jaren dat hij bij deze militie doorbracht geheel inzichtelijk. Het was al duidelijk dat hij zijn broer Stephan evenaarde als het op inzet, bestuurlijke kwaliteiten en inzicht aankwam. In die twaalf jaar bij deze vrijwillige militie toonde hij grote activiteit – en dat naast zijn toch al continue betrokkenheid bij de zwemsport, waar hij meermalen Nederlands kampioen schoonspringen werd en veelvuldig optrad als scheidsrechter bij het waterpolo. Verder zal hij in deze periode ook in de kost moeten hebben voorzien.
In november 1904 – in navolging van broer Stephan – doet Nico zijn intrede als lid van de Afdeling Amsterdam van de Nederlandsche Weerbaarheid-Vereeniging (toen nog niet Koninklijk). Hij was nog net geen zestien jaar. Afgezien van alle bezigheden die nergens staan vermeld heeft hij in de jaren 1905 en 1906 ‘kuildienst’ bij de schietoefeningen. Meteen al in 1905 volgt zijn opleiding voor korporaal en in augustus 1906 wordt hij dat ook. Precies een jaar later wordt Nico aangesteld als sergeant en krijgt hij zijn eigen sectie. In 1909 blijkt dat hij sergeant-foerier is van de Amsterdamse afdeling en begin 1915 wordt hij bevorderd tot sergeant-majoor-administrateur. Vlak voordat hij in 1917 overstapt naar het Zevende Regiment Infanterie wordt hij nog vaandrig, een rang die hij meeneemt naar de officiële Nederlandse krijgsmacht.

Daarnaast vervult hij lange tijd bestuurlijke functies voor de Vereniging. In november 1908, bijna twintig jaar oud, wordt hij als bestuurslid Tweede Secretaris der Afdeling Amsterdam. Al in januari daarop zien we hem als penningmeester van de Afdeling. Nico is 22 jaar als hij ondervoorzitter wordt en tevens afgevaardigde ter Algemene Vergadering. Hij blijft langere tijd ondervoorzitter van de Afdeling Amsterdam en begin 1913 komt daar zijn benoeming tot bestuurslid van de Koninklijke Nederlandsche Weerbaarheid-Vereeniging bij. Waarvan hij overigens als een tijdje secretaris blijkt te zijn.
Eind 1914 blijkt hij waarnemend voorzitter te zijn en in december 1914 wordt Nico wederom gekozen als ondervoorzitter van de afdeling Amsterdam. Tijdens zijn dienstjaren brengt hij tientallen nieuwe leden voor vereniging aan.

Dat hij uitblonk in schoonspringen en ook in waterpolo was allang bekend, maar nu blijkt hij ook vaardigheid in het schermen te hebben. In september 1907 slaagt hij voor Prevot op de sabel en al in januari 1908 behaalt hij het diploma Meester op dat wapen. Soms wint hij een prijs bij een schermwedstijd. Vanaf 1911 geeft hij al onderwijs in sabelschermen, wordt in 1913 toegevoegd aan de opleiding schermonderricht en in de jaren 1915 en 1916 geeft hij met een collega regelmatig leiding bij gymnastiek en schermen. Ook na aftreden als voorzitter van de Afdeling Amsterdam geeft hij nog leiding aan die takken van sport.
Hier vinden we tevens een nieuwe aanwijzing dat het schoonspringen is ontstaan aan uit gymnastiek, waarin Nico eveneens uitblonk.

We zien hem talloze malen bij oefeningen en diensten, zowel in de Oranje-Nassaukazerne als daarbuiten, zoals bij looproeven. De meeste daarvan sommen we hier niet op; ze staan vermeld in het genealogisch overzicht op de website. Er zitten ook avond- en weekenddiensten tussen: dat moet maar te combineren zijn geweest met zijn sportleven. Bij een van die oefeningen – nabij Bloemendaal – was het slecht weer, hetgeen het blad ontlokt: ‘Ook de korporaals bleken een stel oude juffrouwen te zijn; slechts de korporaals x en Sturkop waren aanwezig’. Hem worden ook allerlei opleidingen toevertrouwd, zoals de opleiding van rekruten en tot seiner en bij het geweerschieten. Ook zit hij in commissies in verband met wedstrijden, feesten, enzovoort en bij hem aan huis kan men de kaartjes afhalen.
Bij het schieten op Zeeburg is Nico vele jaren de baancommandant. Men kon verifiëren of de schietoefeningen al dan niet doorgingen: dan werd een blauwwitte kaart geplaatst voor o.a. het huis van sergeant, later de sergeant-majoor Sturkop aan de Willemsparkweg.

Al vroeg krijgt Nico het toezicht op allerlei administratieve taken. Wie een geweer moet ontvangen, moet dat hij hem melden, aan zijn huisadres aan de Willemsparkweg. In september 1908 verricht hij de financiële afhandeling van de Afdeling Amsterdam. Als foerier en afdelingsadministrateur is hij ook beheerder van het K. en U. (Kleding en Uitrusting). Hij had tevens de zorg voor de administratie van het sluiten van vrijwillige verbintenissen door de nieuwe leden.
Bij meerdaagse oefeningen verzorgde Nico de inkwartiering en organiseerde de geneeskundige hulp. Bij dat laatste zal hij zijn broer hebben geconsulteerd.
Een oefening biedt een aardig beeld van hoe de militairen eruitzagen: ‘De kisten moeten gezonden worden aan het adres van de sergeant-majoor-administrateur Sturkop, Kloosterkazerne te Breda. De troep moet zoveel mogelijk in het grijs gekleed zijn. Tenue: veldjas of tuniek, sjako of kepie, korte broek met grijze beenwindsels; in het blauw lange broek met zwarte kappen. De jekker moet worden meegenomen. Bewapening: karabijn M’95, bagagezak, broodzak en veldfles. Rijwiel met toebehoren’. En een andere keer: ‘De sergeant-majoor-administrateur begeeft zich met de vrachtauto de voorafgaande dag naar Gouda om de kisten in ontvangst te nemen en zorgt voor vervoer naar Breda’.
Ook inspecteert de sergeant-majoor Sturkop tijdens avondoefeningen de manschappen op de aan de leden uitgereikte wapenen en kleding- en uitrustingsstukken. ‘Aanvragen voor reparatie kunnen bij hem worden ingediend’.

(Het lijkt er overigens op dat men als vrijwilliger niet officier kon worden. De militaire tak van de vereniging viel onder het Zevende Regiment Infanterie.)

In december 1916 volgt zijn afscheid als voorzitter van de Afdeling Amsterdam: ‘Onze voorzitter, de heer Sturkop, gaat ons verlaten, de eertijds kranige beheerder van het K.U. Fonds dat – in vrijwel reddeloze staat verkerende – door hem tot bloei is gebracht. Pogingen van het bestuur om hem van dit voornemen af te brengen, konden niet baten. De heer Sturkop heeft het te druk met eigen zaken, moet weldra in actieve dienst en zal dan het presidium van de afdeling niet langer kunnen bekleden. Lang en trouw heeft hij de N.W.V., in het bijzonder de Afdeling Amsterdam, gediend.’ En: ‘Ik kan mij zelfs geen bestuur herinneren zonder hem. Ik geloof, dat er maar weinigen zijn in de N.W.V. die de zaak zo lang en zo regelmatig naar hun beste weten hebben gediend’.
Hij vervult in de eerste helft van 1917 nog zijn gangbare taken, maar in juni 1917 is de vaandrig Sturkop in zijn rang overgegaan bij de verplichte Landstorm en geplaatst bij het Depot Zevende Infanterie Brigade.

 

Marinetijd Paul Emile van Straalen

Mede dankzij de militaire stamboeken is het leven inzichtelijk geworden van overgrootvader Paul Emile van Straalen.

Van Paul Emile van Straalen was al bekend dat hij van augustus 1871 tot maart 1881 als koksmaat, kok en hofmeester bij de Marine in dienst was geweest. Zijn staat van dienst was duidelijk en is opgenomen in het nog te verschijnen essay over de familie Van Straalen. Nadat hij afzwaaide kwam hij terecht in de burgerscheepvaart. De gegevens uit deze periode wijzen erop dat hij niet altijd een eenvoudig te hanteren mens was, hij deserteerde bijvoorbeeld zelfs. Dat hij later opnieuw bij de Marine terecht kwam, ondanks deze onregelmatigheden, was ook bekend, maar de bijzonderheden ontbraken. Het tweede stamboek waarin hij voorkomt onthult het verloop van deze volgende periode. Uit het Bevolkingsregister was de aantekening reeds bekend dat hij op 14 juli 1884 naar de Marinekazerne vertrok.

Op 19 juli 1884 wordt Paul Emile van Straalen in Amsterdam aangenomen als koksmaat, voor de duur van vijf jaren. Hij komt op de rol van het Wachtschip te Amsterdam. De premie 50 gulden en het aanbrenggeld van f. 7,50 zal het straatarme gezin welkom zijn geweest. Het blijkt dat hij sinds zijn eerste aantreden, in 1871, nog flink wat gegroeid was. Indertijd was hij ook pas zestien jaar en slechts 1.46 meter lang, maar nu is hij volgroeid tot 1.55 meter. Voor de rest stemt zijn signalement in 1884 overeen met dat van dertien jaar eerder.

Een wachtschip is in feite een drijvende kazerne, bestemd voor lichtmatrozen en mariniers. Lang blijft hij niet op dat schip, want we vinden hem al in augustus 1884 op een schip van de marine, om daarna achtereenvolgens weer op een ander wachtschip en een volgend marinevaartuig terecht te komen. In januari 1885 wordt hij benoemd tot scheepskok. Begin december 1885 vertrekt hij aan boord van de ‘Prins van Oranje’ naar Oost-Indië, waar hij van januari daaraanvolgend tot augustus 1887 verblijft. Kennelijk ligt het grote ramtorenschip van de Marine ‘Koning der Nederlanden’ in de haven van Batavia, want na een verblijf van een paar dagen op het Wachtschip Batavia vinden wij hem daar op die boot. In maart 1887 wordt Paul Emile benoemd tot hofmeester. Na weer een kort verblijf op het Wachtschip Batavia vaart hij vanaf eind april 1887 op de ‘Tromp’.

In oktober 1887, terug in Nederland, krijgt hij de rang van matroos derde klas en verblijft hij vanaf december in Den Helder op het Wachtschip Willemsoord. In die tijd speelt ook de behandeling van een klacht die hij in december 1887 uitte tegen een Kapitein-ter-Zee, een klacht die in januari 1888 gegrond wordt verklaard. De formulering is zodanig dat men aan een beschuldiging door deze matroos aan een hoofdofficier moet denken.

Toch wordt hij in januari 1889 benoemd tot officierskok, nog steeds op het Wachtschip Willemsoord. Vanaf eind juni 1889 vaart hij een halfjaar op het schip ‘Stier’. Maar eind januari 1890 wordt hij op het Wachtschip Willemsoord in arrest gesteld om voor Zeekrijgsraad terecht te staan, beschuldigd van verduistering. Begin april 1890 wordt hij door het Hoger Militair Gerechtshof te Utrecht veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, gedegradeerd tot matroos derde klasse (zonder dat ergens vermeld staat dat hij voordien een hogere rang had, tenzij dat de positie van hofmeester en officierskok betreft) en in de kosten. De straf ging in op 18 februari en zou eindigen op 18 juni 1890. De tijd van het voorarrest is dus in overweging genomen. Een paar dagen na de uitspraak wordt Paul Emile van Straalen overgebracht naar de gevangenis te Goes. Op 28 juni 1890 is hij in verband met zijn veroordeling ontslagen, zonder certificaat van goed gedrag.

Uit het Bevolkingsregister wisten we alleen dat hij voor zijn terugkeer in de burgermaatschappij te Amsterdam, per medio juli 1890, verbleef op het Wachtschip Helder. De werkelijkheid blijkt derhalve ietwat anders te zijn. Ten tijde van zijn benoeming tot officierskok op Willemsoord werd, zoals we al wisten, in Den Helder dochter Milia geboren. Catharina van Straalen-Bredius woont in die tijd in die marinestad. We begrijpen nu waarom zij in april 1890 terugkeerde naar Amsterdam: haar echtgenoot kwam toen immers in Goes in de gevangenis terecht en zou niet meer terugkeren naar de marine.

De levens van Paul Emile en Catharina van Straalen zullen te volgen zijn in een essay dat in voorbereiding is.

Het gezin Kaestner

Mede dankzij de militaire stamboeken is het leven inzichtelijk geworden van voorvader Johann Wilhelm Kaestner, de vader van mijn betovergrootmoeder Gerritdina Kaestner.

Johann Wilhelm Kaestner werd op 15 mei 1796 geboren in Sondershausen, in het toenmalige Koninkrijk Saksen. Die plaats ligt die ongeveer veertig kilometer boven Erfurt. Op 1 mei 1813, toen hij dus bijna zeventien jaar was, trad hij toe in de krijgsmacht van de Vorst van Schwarzburg, ruim honderd kilometer ten oosten van zijn geboorteplaats. Hij zal de Russische veldtocht van Napoleon net niet hebben meegemaakt, maar de Koning van Saksen was een trouwe bondgenoot van de Franse keizer en niet veel later in dat jaar 1813 vonden grote veldslagen plaats in dat gebied. Het is allerminst uitgesloten dat oudopa Johann Wilhelm de Slag bij Dresden meemaakte, die plaatsvond op in augustus 1813. Dat was nog een Franse overwinning, maar in oktober daarop volgde bij Leipzig de grote Volkerenslag, waarin Napoleon werd verslagen.

Het ziet ernaar uit dat Johann Wilhelm Kaestner daarna terugkeerde naar Sondershausen, want bij zijn aankomst bij het Nederlandse leger gaf hij dat stadje op als de plek waar hij voordien woonde. Wie zal dat gecontroleerd hebben? Vanuit zijn geboorteland had hij het Evangelisch Luthers geloof met zich meegenomen. Op 1 oktober 1816 trad hij aan als fuselier bij de Zevende Afdeling Infanterie. Wij danken zijn signalement aan die gebeurtenis: een flinke gestalte, zeker voor die tijd, toen de meeste mannen niet veel groter werden dan 1.60 m. Kaestner stond ruim 1.75 m. op zijn voeten. Een lang gezicht, een rond voorhoofd, bruine ogen, zijn neus en mond waren ‘ordinair’, een uitdrukking die in die tijd ‘gewoon’ betekende, dus dat viel alweer mee. Zijn kin was rond en z’n haar en wenkbrauwen waren donkerbruin. Omdat hij waarschijnlijk al strijdgewoel had meegemaakt of gewoon omdat hij geschikt was als militair werd hij al in maart 1817 bevorderd tot korporaal.

Waar hij bij aankomst in ons land gelegerd was weten we (nog) niet, maar in december 1820 registreert men zijn aankomst in Deventer. Daar woont hij in ieder geval wanneer in mei 1822 dochter Willemina wordt geboren. Er zullen nog drie kinderen volgen, van wie we er nog twee nader gaan leren kennen. In februari 1829 komt de jongste, zoontje Fredrik, ter wereld, nog altijd in Deventer. Willemina was al na twee maanden gestorven, Fredrik overlijdt als hij bijna drie jaar is.

Na bijna zes jaren bij de Zevende Afdeling wordt hij, in februari 1822, overgeplaatst naar het Algemeen Depot der Landmacht, waar hij op 27 augustus van dat jaar wordt gepasporteerd, hetgeen inhoudt dat hij eervol uit militaire dienst is ontslagen. Het lijkt er dus op dat hij voor zes jaren had getekend. Maar precies twee jaar later, op 27 februari 1824, wordt hij vrijwillig geëngageerd als fuselier, voor de tijd van zes jaren en een maand. Dat levert hem een handgeld van tien guldens op. Was zijn eerdere rang vervallen? In elk geval wordt hij in september 1824 alweer korporaal. In september 1825 volgt de bevordering tot sergeant.

Hij moet in de periode waarin hij officieel geen militair was in Deventer zijn gebleven, want daar wordt, een half jaar na zijn herintreding, zoon Wilhelm geboren, in november 1824. Diens zus Gerritdina volgt in maart 1827. De borelingen dragen nog even de achternaam van hun moeder, want Johann Wilhelm Kaestner is dan nog niet getrouwd met de weduwe Gesina Sikking. Hun huwelijk vindt plaats op 17 mei 1828, nog altijd in Deventer. De twee kinderen worden per dat huwelijk gewettigd. De pasgehuwden zijn dan resp. 32 en 30 jaar oud. We lezen bij Gesina’s geboorte in Deventer: ‘op 6 july 1797 door vrouw Henning aangegeven dat zij op dato een onegt kind gehaald heeft bij Gardina Hoogeweg welke in barensnood tot vader van ’t zelve benoemd heeft Hendrik Zwarts, cannonier van guarnisoen te Maastricht’.

Omdat Johanns ouders Christiaan Kästner en Catharina Jacob, evenals als zijn vier grootouders, ‘alle voor verscheidene jaren’ in Duitsland waren overleden, heeft hij toestemming nodig voor zijn huwelijk. De kolonel die de Zevende Afdeling Infanterie commandeert, verleent aan Wilhelm Kästner, sergeant bij het Tweede Bataljon, toestemming om een huwelijk te mogen aangaan met Gesina Sikkink (de spelling Sikking en Sikkink wisselt nogal eens). Wilhelm Kästner, zoals ook de spelling bij zijn geboorte zal zijn geweest, en Gesina Sikkink zijn onvermogend om de kosten voor het huwelijk te betalen. Zij wonen – in elk geval in 1829 – in de Kloosterkazerne te Deventer. Dat adres levert een moment van nostalgische herkenning op: ik noteerde dit in de jaren tachtig op het Gemeentearchief van Deventer, dat in deze voormalige Kloosterkazerne was gevestigd en ik keek door de ramen uit op de binnenplaats, waar ooit deze voorvader zijn exercities beoefende. Op hetzelfde adres waar hij in die kazerne woonde, vinden we ook twee andere sergeants met hun gezinnen. Het zal een drukbezet huis zijn geweest. De ene onderofficier had een dochter van zeventien en de andere had twee jonge zoontjes en vier jonge dochters. Daar kwamen de kinderen Kaestner dan nog bij.

Het dienstverband moet zowel de werkgever als de werknemer zijn bevallen, want eind maart 1829 wordt Johann Wilhelm geëngageerd voor de rest van zijn leven. In de loop der tijd wordt hij een aantal malen gedecoreerd. In augustus 1829 ontvangt hij de Bronzen Medaille en in april 1832 het Metalen Kruis. In de jaren 1831 tot en met 1834 vinden wij hem in het zuiden des land, tijdens de destijds zogeheten Opstand in België. In 1836 volgt nog de Zilveren Medaille.

Er moet nog worden uitgezocht waar zijn legeronderdeel in al die jaren was neergestreken. Dat zal licht werpen op de vraag hoe zijn dochter Gerritdina kennis maakte met Jacobus Henri van Straalen, haar latere echtgenoot en – nog veel later – onze betovergrootouders. Van Straalen diende vanaf 1844 tot 1851 in de krijgsmacht, in de latere jaren eveneens als sergeant.

We kunnen ervanuit gaan dat Johann Wilhelm rond 1841 in Maastricht verbleef. Ook zoon Wilhelm is in dat jaar onder de wapenen gegaan. Wanneer echtgenote Gesina Sikking overlijdt op 17 september 1849 is dat nog steeds in Maastricht. Gesina is 52 jaar geworden. In die jaren diende haar echtgenoot nog altijd bij het Tweede Bataljon van het Zevende Regiment, dat in de Augustijnenkazerne in de Mariastraat was gelegerd.

In april 1851 wordt Johann Wilhelm Kaestner – die soms ook als Jan Willem en onder namen zoals Kestner of Kostner te boek staat – eervol ontslagen, met een jaarlijks engagement van 130 gulden. Hij maakte nagenoeg geheel 35 dienstjaren vol. Hij zou meer dan een kwarteeuw van zijn pensionering kunnen genieten. Hij en dochter Gerritdina blijven nog kort in de Mariastraat in Maastricht wonen. Gerritdina was in 1847 getrouwd en het echtpaar kreeg een zoontje. Maar haar echtgenoot stierf al een paar maanden na hun huwelijk, kort daarop gevolgd door het kind, dat slechts twee maanden oud werd.

Gerritdina trouwde in 1855 in Maastricht met de bovengenoemde Jacobus Henri van Straalen, maar op de dag dat dit huwelijk werd voltrokken waren er al drie kinderen. Zij kwamen met de naam Kaestner ter wereld en ze werden op op de trouwdag gewettigd. De jongste van deze drie was mijn overgrootvader Paul Henri van Straalen.

Na juli 1851 waren de gepensioneerde sergeant Johann Wilhelm en zijn dochter al in het Gelderse Wijchen te vinden, vlakbij Nijmegen, waar Jacobus Henri van Straalen was gelegerd. We zoeken nog uit of zoon Wilhelm Kaestner zich daar ook in die tijd bevond; beiden maakten deel uit van het Zesde Regiment Infanterie.

Erg lang zijn zij niet in de buurt van Nijmegen gebleven. Carolina Gesina, Johanns oudste kleinkind, werd in december 1851 in Wijchen geboren. Het nog niet gehuwde gezinnetje vertrekt kort daarop naar Amsterdam, de geboortestad van Jacobus Henri van Straalen. Dat wil zeggen: eerst vestigt Gerritdina zich daar, met hun dochter, in de Grote Oostenburgerstraat. Ze verblijven bij het echtpaar Vork, in wie wij de hoogstwaarschijnlijke pleegouders van Jacobus Henri van Straalen menen te herkennen. Dat is begin juli 1852. Een maand later voegt echtgenoot vader Jacobus Henri zich bij hen. Al in oktober vertrekken zij naar een eigen plek in dezelfde straat, waar Johann Wilhelm Kaestner zich vanuit Wijchen bij hen voegt.

Ook het verblijf in Amsterdam duurt kort, nu van wel zeer korte duur. Vanaf medio december 1852 wonen zij in Deventer, de geboortestad van Gerritdina Kaestner. Zij en haar gezin blijven daar slechts kort: in februari 1853 vinden wij hen weer in het zuiden van Limburg. We zullen hen veel jaren nadien nog in Deventer terugzien. Vader Kaestner blijft achter in Deventer. Vanaf die plek beleeft hij de geboorte van een flink aantal kleinkinderen. Gerritdina schenkt in de periode van 1853 tot 1860 het leven aan nog vijf nazaten: in Maastricht worden Johanna Paulina Louisa en Paul Emile geboren, in Lekkerkerk Johannes Willem en Maria Jacoba en ten slotte in Overschie Henriëtta Maria, die een jaar later in Hellevoetsluis overlijdt. Jacobus Henri van Straalen was in die plaatsen aan het werk als rijksambtenaar. We weten niet wat zijn werkzaamheden inhielden.
In Haarlem, waar zoon Wilhelm Kaestner na zijn jaren in het leger onderwijzer is geworden, verrijkt diens gezin de familie tussen 1851 en 1869 met minstens twaalf kleinkinderen, die lang niet allemaal volwassen worden.

Johann Wilhelm Kaestner is dus in Deventer blijven wonen. In september 1853 trouwt hij daar met de vijftigjarige weduwe Johanna Roesink. Hij is zelf dan al achter in de vijftig. Ze wonen op verschillende adressen, tussentijds ook nog kort in Harderwijk en in Diepenveen. Die laatste plaats ligt vlak tegen Deventer aan en, gezien het adres Noordenberg, misschien zelfs op dezelfde plek. Vanaf 1869 verblijven zij definitief in Deventer. Daar sterft Johanna Roesink in oktober 1873, in de leeftijd van zeventig jaar. Op 15 januari 1878 komt ook een einde aan het veelbewogen leven van Johann Wilhelm Kaestner. Hij werd ruim 81 jaar.

In hun latere levensjaren beleefden zij nog wel het een en ander met de familie. Zoals we zagen overleed het jongste kind van dochter Gerritdina en stierf een flink aantal kinderen van zoon Wilhelm Kaestner. Het echtpaar Van Straalen-Kaestner keerde in januari 1871 opnieuw terug naar Deventer. Zij trokken hoogstwaarschijnlijk in bij Johann Wilhelm en zijn echtgenote, die nog altijd aan de Noorderbergstraat woonden. Hun twee oudste, nog niet meerderjarige kinderen bleven achter in Amsterdam. Gerritdina overleed daar in januari 1872, een jaar na hun aankomst, nog geen 45 jaar oud. Jacobus Henri volgde haar in dat lot in april 1873. Hij werd 48 jaar. Hun zoon Paul Emile had zich al in maart 1871 in Amsterdam bij de marine aangemonsterd en dochter Maria Jacoba keerde een paar maanden na de dood van haar moeder terug naar Amsterdam. Kleinzoon Johannes Willem van Straalen bleef nog het langst bij zijn grootvader wonen; hij verhuisde in april 1873 naar Arnhem, verbleef tussen eind 1875 en begin 1876 nog even bij opa en vestigde zich daarna in Amsterdam.

De levens van Jacobus Henri en Gerritdina van Straalen zullen te volgen zijn in een essay dat in voorbereiding is. De militaire loopbaan van Wilhelm Kaestner later nog uitgewerkt.