Marinetijd Paul Emile van Straalen

Mede dankzij de militaire stamboeken is het leven inzichtelijk geworden van overgrootvader Paul Emile van Straalen.

Van Paul Emile van Straalen was al bekend dat hij van augustus 1871 tot maart 1881 als koksmaat, kok en hofmeester bij de Marine in dienst was geweest. Zijn staat van dienst was duidelijk en is opgenomen in het nog te verschijnen essay over de familie Van Straalen. Nadat hij afzwaaide kwam hij terecht in de burgerscheepvaart. De gegevens uit deze periode wijzen erop dat hij niet altijd een eenvoudig te hanteren mens was, hij deserteerde bijvoorbeeld zelfs. Dat hij later opnieuw bij de Marine terecht kwam, ondanks deze onregelmatigheden, was ook bekend, maar de bijzonderheden ontbraken. Het tweede stamboek waarin hij voorkomt onthult het verloop van deze volgende periode. Uit het Bevolkingsregister was de aantekening reeds bekend dat hij op 14 juli 1884 naar de Marinekazerne vertrok.

Op 19 juli 1884 wordt Paul Emile van Straalen in Amsterdam aangenomen als koksmaat, voor de duur van vijf jaren. Hij komt op de rol van het Wachtschip te Amsterdam. De premie 50 gulden en het aanbrenggeld van f. 7,50 zal het straatarme gezin welkom zijn geweest. Het blijkt dat hij sinds zijn eerste aantreden, in 1871, nog flink wat gegroeid was. Indertijd was hij ook pas zestien jaar en slechts 1.46 meter lang, maar nu is hij volgroeid tot 1.55 meter. Voor de rest stemt zijn signalement in 1884 overeen met dat van dertien jaar eerder.

Een wachtschip is in feite een drijvende kazerne, bestemd voor lichtmatrozen en mariniers. Lang blijft hij niet op dat schip, want we vinden hem al in augustus 1884 op een schip van de marine, om daarna achtereenvolgens weer op een ander wachtschip en een volgend marinevaartuig terecht te komen. In januari 1885 wordt hij benoemd tot scheepskok. Begin december 1885 vertrekt hij aan boord van de ‘Prins van Oranje’ naar Oost-Indië, waar hij van januari daaraanvolgend tot augustus 1887 verblijft. Kennelijk ligt het grote ramtorenschip van de Marine ‘Koning der Nederlanden’ in de haven van Batavia, want na een verblijf van een paar dagen op het Wachtschip Batavia vinden wij hem daar op die boot. In maart 1887 wordt Paul Emile benoemd tot hofmeester. Na weer een kort verblijf op het Wachtschip Batavia vaart hij vanaf eind april 1887 op de ‘Tromp’.

In oktober 1887, terug in Nederland, krijgt hij de rang van matroos derde klas en verblijft hij vanaf december in Den Helder op het Wachtschip Willemsoord. In die tijd speelt ook de behandeling van een klacht die hij in december 1887 uitte tegen een Kapitein-ter-Zee, een klacht die in januari 1888 gegrond wordt verklaard. De formulering is zodanig dat men aan een beschuldiging door deze matroos aan een hoofdofficier moet denken.

Toch wordt hij in januari 1889 benoemd tot officierskok, nog steeds op het Wachtschip Willemsoord. Vanaf eind juni 1889 vaart hij een halfjaar op het schip ‘Stier’. Maar eind januari 1890 wordt hij op het Wachtschip Willemsoord in arrest gesteld om voor Zeekrijgsraad terecht te staan, beschuldigd van verduistering. Begin april 1890 wordt hij door het Hoger Militair Gerechtshof te Utrecht veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, gedegradeerd tot matroos derde klasse (zonder dat ergens vermeld staat dat hij voordien een hogere rang had, tenzij dat de positie van hofmeester en officierskok betreft) en in de kosten. De straf ging in op 18 februari en zou eindigen op 18 juni 1890. De tijd van het voorarrest is dus in overweging genomen. Een paar dagen na de uitspraak wordt Paul Emile van Straalen overgebracht naar de gevangenis te Goes. Op 28 juni 1890 is hij in verband met zijn veroordeling ontslagen, zonder certificaat van goed gedrag.

Uit het Bevolkingsregister wisten we alleen dat hij voor zijn terugkeer in de burgermaatschappij te Amsterdam, per medio juli 1890, verbleef op het Wachtschip Helder. De werkelijkheid blijkt derhalve ietwat anders te zijn. Ten tijde van zijn benoeming tot officierskok op Willemsoord werd, zoals we al wisten, in Den Helder dochter Milia geboren. Catharina van Straalen-Bredius woont in die tijd in die marinestad. We begrijpen nu waarom zij in april 1890 terugkeerde naar Amsterdam: haar echtgenoot kwam toen immers in Goes in de gevangenis terecht en zou niet meer terugkeren naar de marine.

De levens van Paul Emile en Catharina van Straalen zullen te volgen zijn in een essay dat in voorbereiding is.

Het gezin Kaestner

Mede dankzij de militaire stamboeken is het leven inzichtelijk geworden van voorvader Johann Wilhelm Kaestner, de vader van mijn betovergrootmoeder Gerritdina Kaestner.

Johann Wilhelm Kaestner werd op 15 mei 1796 geboren in Sondershausen, in het toenmalige Koninkrijk Saksen. Die plaats ligt die ongeveer veertig kilometer boven Erfurt. Op 1 mei 1813, toen hij dus bijna zeventien jaar was, trad hij toe in de krijgsmacht van de Vorst van Schwarzburg, ruim honderd kilometer ten oosten van zijn geboorteplaats. Hij zal de Russische veldtocht van Napoleon net niet hebben meegemaakt, maar de Koning van Saksen was een trouwe bondgenoot van de Franse keizer en niet veel later in dat jaar 1813 vonden grote veldslagen plaats in dat gebied. Het is allerminst uitgesloten dat oudopa Johann Wilhelm de Slag bij Dresden meemaakte, die plaatsvond op in augustus 1813. Dat was nog een Franse overwinning, maar in oktober daarop volgde bij Leipzig de grote Volkerenslag, waarin Napoleon werd verslagen.

Het ziet ernaar uit dat Johann Wilhelm Kaestner daarna terugkeerde naar Sondershausen, want bij zijn aankomst bij het Nederlandse leger gaf hij dat stadje op als de plek waar hij voordien woonde. Wie zal dat gecontroleerd hebben? Vanuit zijn geboorteland had hij het Evangelisch Luthers geloof met zich meegenomen. Op 1 oktober 1816 trad hij aan als fuselier bij de Zevende Afdeling Infanterie. Wij danken zijn signalement aan die gebeurtenis: een flinke gestalte, zeker voor die tijd, toen de meeste mannen niet veel groter werden dan 1.60 m. Kaestner stond ruim 1.75 m. op zijn voeten. Een lang gezicht, een rond voorhoofd, bruine ogen, zijn neus en mond waren ‘ordinair’, een uitdrukking die in die tijd ‘gewoon’ betekende, dus dat viel alweer mee. Zijn kin was rond en z’n haar en wenkbrauwen waren donkerbruin. Omdat hij waarschijnlijk al strijdgewoel had meegemaakt of gewoon omdat hij geschikt was als militair werd hij al in maart 1817 bevorderd tot korporaal.

Waar hij bij aankomst in ons land gelegerd was weten we (nog) niet, maar in december 1820 registreert men zijn aankomst in Deventer. Daar woont hij in ieder geval wanneer in mei 1822 dochter Willemina wordt geboren. Er zullen nog drie kinderen volgen, van wie we er nog twee nader gaan leren kennen. In februari 1829 komt de jongste, zoontje Fredrik, ter wereld, nog altijd in Deventer. Willemina was al na twee maanden gestorven, Fredrik overlijdt als hij bijna drie jaar is.

Na bijna zes jaren bij de Zevende Afdeling wordt hij, in februari 1822, overgeplaatst naar het Algemeen Depot der Landmacht, waar hij op 27 augustus van dat jaar wordt gepasporteerd, hetgeen inhoudt dat hij eervol uit militaire dienst is ontslagen. Het lijkt er dus op dat hij voor zes jaren had getekend. Maar precies twee jaar later, op 27 februari 1824, wordt hij vrijwillig geëngageerd als fuselier, voor de tijd van zes jaren en een maand. Dat levert hem een handgeld van tien guldens op. Was zijn eerdere rang vervallen? In elk geval wordt hij in september 1824 alweer korporaal. In september 1825 volgt de bevordering tot sergeant.

Hij moet in de periode waarin hij officieel geen militair was in Deventer zijn gebleven, want daar wordt, een half jaar na zijn herintreding, zoon Wilhelm geboren, in november 1824. Diens zus Gerritdina volgt in maart 1827. De borelingen dragen nog even de achternaam van hun moeder, want Johann Wilhelm Kaestner is dan nog niet getrouwd met de weduwe Gesina Sikking. Hun huwelijk vindt plaats op 17 mei 1828, nog altijd in Deventer. De twee kinderen worden per dat huwelijk gewettigd. De pasgehuwden zijn dan resp. 32 en 30 jaar oud. We lezen bij Gesina’s geboorte in Deventer: ‘op 6 july 1797 door vrouw Henning aangegeven dat zij op dato een onegt kind gehaald heeft bij Gardina Hoogeweg welke in barensnood tot vader van ’t zelve benoemd heeft Hendrik Zwarts, cannonier van guarnisoen te Maastricht’.

Omdat Johanns ouders Christiaan Kästner en Catharina Jacob, evenals als zijn vier grootouders, ‘alle voor verscheidene jaren’ in Duitsland waren overleden, heeft hij toestemming nodig voor zijn huwelijk. De kolonel die de Zevende Afdeling Infanterie commandeert, verleent aan Wilhelm Kästner, sergeant bij het Tweede Bataljon, toestemming om een huwelijk te mogen aangaan met Gesina Sikkink (de spelling Sikking en Sikkink wisselt nogal eens). Wilhelm Kästner, zoals ook de spelling bij zijn geboorte zal zijn geweest, en Gesina Sikkink zijn onvermogend om de kosten voor het huwelijk te betalen. Zij wonen – in elk geval in 1829 – in de Kloosterkazerne te Deventer. Dat adres levert een moment van nostalgische herkenning op: ik noteerde dit in de jaren tachtig op het Gemeentearchief van Deventer, dat in deze voormalige Kloosterkazerne was gevestigd en ik keek door de ramen uit op de binnenplaats, waar ooit deze voorvader zijn exercities beoefende. Op hetzelfde adres waar hij in die kazerne woonde, vinden we ook twee andere sergeants met hun gezinnen. Het zal een drukbezet huis zijn geweest. De ene onderofficier had een dochter van zeventien en de andere had twee jonge zoontjes en vier jonge dochters. Daar kwamen de kinderen Kaestner dan nog bij.

Het dienstverband moet zowel de werkgever als de werknemer zijn bevallen, want eind maart 1829 wordt Johann Wilhelm geëngageerd voor de rest van zijn leven. In de loop der tijd wordt hij een aantal malen gedecoreerd. In augustus 1829 ontvangt hij de Bronzen Medaille en in april 1832 het Metalen Kruis. In de jaren 1831 tot en met 1834 vinden wij hem in het zuiden des land, tijdens de destijds zogeheten Opstand in België. In 1836 volgt nog de Zilveren Medaille.

Er moet nog worden uitgezocht waar zijn legeronderdeel in al die jaren was neergestreken. Dat zal licht werpen op de vraag hoe zijn dochter Gerritdina kennis maakte met Jacobus Henri van Straalen, haar latere echtgenoot en – nog veel later – onze betovergrootouders. Van Straalen diende vanaf 1844 tot 1851 in de krijgsmacht, in de latere jaren eveneens als sergeant.

We kunnen ervanuit gaan dat Johann Wilhelm rond 1841 in Maastricht verbleef. Ook zoon Wilhelm is in dat jaar onder de wapenen gegaan. Wanneer echtgenote Gesina Sikking overlijdt op 17 september 1849 is dat nog steeds in Maastricht. Gesina is 52 jaar geworden. In die jaren diende haar echtgenoot nog altijd bij het Tweede Bataljon van het Zevende Regiment, dat in de Augustijnenkazerne in de Mariastraat was gelegerd.

In april 1851 wordt Johann Wilhelm Kaestner – die soms ook als Jan Willem en onder namen zoals Kestner of Kostner te boek staat – eervol ontslagen, met een jaarlijks engagement van 130 gulden. Hij maakte nagenoeg geheel 35 dienstjaren vol. Hij zou meer dan een kwarteeuw van zijn pensionering kunnen genieten. Hij en dochter Gerritdina blijven nog kort in de Mariastraat in Maastricht wonen. Gerritdina was in 1847 getrouwd en het echtpaar kreeg een zoontje. Maar haar echtgenoot stierf al een paar maanden na hun huwelijk, kort daarop gevolgd door het kind, dat slechts twee maanden oud werd.

Gerritdina trouwde in 1855 in Maastricht met de bovengenoemde Jacobus Henri van Straalen, maar op de dag dat dit huwelijk werd voltrokken waren er al drie kinderen. Zij kwamen met de naam Kaestner ter wereld en ze werden op op de trouwdag gewettigd. De jongste van deze drie was mijn overgrootvader Paul Henri van Straalen.

Na juli 1851 waren de gepensioneerde sergeant Johann Wilhelm en zijn dochter al in het Gelderse Wijchen te vinden, vlakbij Nijmegen, waar Jacobus Henri van Straalen was gelegerd. We zoeken nog uit of zoon Wilhelm Kaestner zich daar ook in die tijd bevond; beiden maakten deel uit van het Zesde Regiment Infanterie.

Erg lang zijn zij niet in de buurt van Nijmegen gebleven. Carolina Gesina, Johanns oudste kleinkind, werd in december 1851 in Wijchen geboren. Het nog niet gehuwde gezinnetje vertrekt kort daarop naar Amsterdam, de geboortestad van Jacobus Henri van Straalen. Dat wil zeggen: eerst vestigt Gerritdina zich daar, met hun dochter, in de Grote Oostenburgerstraat. Ze verblijven bij het echtpaar Vork, in wie wij de hoogstwaarschijnlijke pleegouders van Jacobus Henri van Straalen menen te herkennen. Dat is begin juli 1852. Een maand later voegt echtgenoot vader Jacobus Henri zich bij hen. Al in oktober vertrekken zij naar een eigen plek in dezelfde straat, waar Johann Wilhelm Kaestner zich vanuit Wijchen bij hen voegt.

Ook het verblijf in Amsterdam duurt kort, nu van wel zeer korte duur. Vanaf medio december 1852 wonen zij in Deventer, de geboortestad van Gerritdina Kaestner. Zij en haar gezin blijven daar slechts kort: in februari 1853 vinden wij hen weer in het zuiden van Limburg. We zullen hen veel jaren nadien nog in Deventer terugzien. Vader Kaestner blijft achter in Deventer. Vanaf die plek beleeft hij de geboorte van een flink aantal kleinkinderen. Gerritdina schenkt in de periode van 1853 tot 1860 het leven aan nog vijf nazaten: in Maastricht worden Johanna Paulina Louisa en Paul Emile geboren, in Lekkerkerk Johannes Willem en Maria Jacoba en ten slotte in Overschie Henriëtta Maria, die een jaar later in Hellevoetsluis overlijdt. Jacobus Henri van Straalen was in die plaatsen aan het werk als rijksambtenaar. We weten niet wat zijn werkzaamheden inhielden.
In Haarlem, waar zoon Wilhelm Kaestner na zijn jaren in het leger onderwijzer is geworden, verrijkt diens gezin de familie tussen 1851 en 1869 met minstens twaalf kleinkinderen, die lang niet allemaal volwassen worden.

Johann Wilhelm Kaestner is dus in Deventer blijven wonen. In september 1853 trouwt hij daar met de vijftigjarige weduwe Johanna Roesink. Hij is zelf dan al achter in de vijftig. Ze wonen op verschillende adressen, tussentijds ook nog kort in Harderwijk en in Diepenveen. Die laatste plaats ligt vlak tegen Deventer aan en, gezien het adres Noordenberg, misschien zelfs op dezelfde plek. Vanaf 1869 verblijven zij definitief in Deventer. Daar sterft Johanna Roesink in oktober 1873, in de leeftijd van zeventig jaar. Op 15 januari 1878 komt ook een einde aan het veelbewogen leven van Johann Wilhelm Kaestner. Hij werd ruim 81 jaar.

In hun latere levensjaren beleefden zij nog wel het een en ander met de familie. Zoals we zagen overleed het jongste kind van dochter Gerritdina en stierf een flink aantal kinderen van zoon Wilhelm Kaestner. Het echtpaar Van Straalen-Kaestner keerde in januari 1871 opnieuw terug naar Deventer. Zij trokken hoogstwaarschijnlijk in bij Johann Wilhelm en zijn echtgenote, die nog altijd aan de Noorderbergstraat woonden. Hun twee oudste, nog niet meerderjarige kinderen bleven achter in Amsterdam. Gerritdina overleed daar in januari 1872, een jaar na hun aankomst, nog geen 45 jaar oud. Jacobus Henri volgde haar in dat lot in april 1873. Hij werd 48 jaar. Hun zoon Paul Emile had zich al in maart 1871 in Amsterdam bij de marine aangemonsterd en dochter Maria Jacoba keerde een paar maanden na de dood van haar moeder terug naar Amsterdam. Kleinzoon Johannes Willem van Straalen bleef nog het langst bij zijn grootvader wonen; hij verhuisde in april 1873 naar Arnhem, verbleef tussen eind 1875 en begin 1876 nog even bij opa en vestigde zich daarna in Amsterdam.

De levens van Jacobus Henri en Gerritdina van Straalen zullen te volgen zijn in een essay dat in voorbereiding is. De militaire loopbaan van Wilhelm Kaestner later nog uitgewerkt.

 

 

Voetbalconnecties

Over Nanny (Ferdinande Pauline Victorine) Ball, de echtgenote van Bertus Stom, weten we inmiddels dat haar moeder getrouwd was met de weduwnaar Hermanus Bernhardt Willem Bakhuijs. Nanny en haar moeder woonden bij hem in Den Haag. Zo werd zij een soort halfzus van Hermanus’ zoon Beb Bakhuijs, voor de Tweede Wereldoorlog misschien de meest bekende voetbalinternational. Nanny was in Indië geboren, kwam met haar moeder naar Nederland en vertrok in 1920 samen met haar terug naar Indië. We weten dat zij daar trouwde met Bertus (Ben) Stom en de connectie is opeens weer iets meer helder: ook Ben Stom was immers voetbalinternational geweest.

Analyse gezin Schreeuwert et al

Isaac Emanuel Schreeuwert en zijn zoon Emanuel Isaac traden op als getuigen bij een geboorte en een overlijdensgeval in het gezin van hun buurvrouw in de Verwerstraat Sara Hijman Sturhoff (Sturhoofd). Vandaar enig onderzoek naar die familie. Het startpunt was de naamsaanneming.
Het zoeken wordt sterk bemoeilijkt door de grote variatie in de spelling van de naam en soms werden zelfs geheel andere namen gebruikt, zoals: Schreeuwer, Schrewert, Schreever, Schreuver, Cohen, Cohen Schrewert, Amesfoort, e.a.

Isaac Emanuel Schreeuwert en Beletje Levie Visschraper (beiden nog zonder de later aangenomen familienamen) traden in 1804 in ondertrouw – er werd echter niet gecompareerd –, toen ze al op Marken in de Verbrande Bakkergang woonden.

Commentaar: naamsaanneming.
Sterk de indruk dat niet te veel waarde moet worden gehecht aan de namen van de drie kinderen Schreeuwert die bij de naamsaanneming in 1811 werden genoemd:
1 – Hannaatje, geboren rond 1804.
2 – Kaatje, geboren rond 1806.
3 – Jannetje, geboren rond 1809.

Bekend is dat:
a – de ambtenaar vaak maar iets opschreef, ook al omdat de namen met Jiddische tongval niet helemaal werd verstaan;
b – de Nederlandse namen niet overeenstemden met de voornamen die in Joodse kring werden gebruikt;
c – soms dezelfde voornaam werd gebruikt voor meerdere kinderen in hetzelfde gezin; zie mijn artikel op https://sturkop.nl/publicaties/

Wat die kinderen betreft (de volgende conclusies zijn niet 100% zeker, maar m.i. de meest waarschijnlijke):

1 – Hannaatje (1804): die naam is in de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister later niet meer aangetroffen. Wel is er een overlijdensakte uit 1817 van Hanna Emanuel Amersfoort. Volgens een andere genealoog is dit Hanna Schreeuwert is. De naam Amersfoort werd vaker in de familie gebruikt. De leeftijd is 13 jaar en haar ouders zijn Emanuel Isaac Amerfoort en Diena Levie.
Aanname: ‘Hannaatje’ is op de leeftijd van 13 jaar is gestorven.

2 – Kaatje (1806): ook die naam is in de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister later niet meer aangetroffen. Wel komt Jansje Emanuel Schreeuwert voor en volgens alle akten en registers stamt zij uit 1806. In ‘Joodse voornamen in Amsterdam’ komen Kaatje en Jansje niet als synoniemen voor. Maar ‘Kaatje’ is wel de enige die in aanmerking komt om later burgerlijk als ‘Jansje’ door het leven te gaan.
Aanname: ‘Kaatje’ is degene is die later als ‘Jansje’ door het leven gaat.

3 – Jannetje (1809): ook die naam is in de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister later niet meer aangetroffen. Daarentegen zien we Judik Emanuel Schreeuwer. ‘Judik’ is een bekend synoniem voor ‘Jannetje’. Aangenomen wordt dat ‘Jannetje’ degene is die later als ‘Judik’ door het leven gaat. Dit wordt nog versterkt door het volgende. In 1812 wordt Judic Emanuel Schrewert geboren; het kind overlijdt in 1813. Overigens kwam ‘Jannetje’ op 20-11-1909 als ‘Judith Emanuel Cohen-Amisfoort’ ter wereld. Met als andere naam: Jent. Dat lijkt wel erg op ‘Jannetje’.
Aanname: ‘Jannetje’ uit 1809 wordt na dit overlijden verder ‘Judik’ genoemd.
De namen in mijn genealogisch bestand dienovereenkomstig aangepast, met behoud van de bovengenoemde aliassen uit 1811.

De levens van Jansje (was: Kaatje) en Judik (was: Jannetje) zijn daardoor verder goed te volgen.

Andere kinderen:
Dochter Judic Emanuel Schrewert (1812-1813). Zie hierboven.
– Er zou een zoon Jacob Emanuel zijn geweest, met de achternaam Schreever. Van hem geen gegevens in de Burgerlijke Stand gevonden.
– Dochter Sara Emanuel Schreuver (1815-1816).
– Zoon Abraham (1825-1828).

Volwassen geworden dochters.
Van de kinderen werden dus alleen Jansje en Judik volwassen. Van Judik – die in Rotterdam woonde – vond ik geen overlijdensgegevens. Beide dames hadden – evenmin als hun ouders – geen rijk leven.
Jansje woonde en overleed in de arme buurten. Zij verdiende na de dood van haar veel oudere man, kort na hun huwelijk, de kost als wattenkaartster. In 1840 was zij al de ongehuwde moeder geworden van een zoon; met haar echtgenoot kreeg zij in 1851 nog een zoon.
Judik trouwde in Rotterdam met een muzikant die haar verliet en zij werd daar – als ‘verlaten huisvrouw – kroeghoudster. Later keerde zij terug naar Amsterdam, om ten slotte in 1881 weer in de Maasstad te belanden.

Verscheurd gezin?
De geboorte van de bovengenoemde Abraham Schreeuwer werd aangegeven door een vroedvrouw en twee bekenden van de moeder. Dus niet door de vader. Die vader wordt ook helemaal niet genoemd in de akte; Abraham is de zoon van Beletje Levie Schreeuwer. Als hij drie jaar later in Ommen sterft, dan wordt zijn vader Emanuel Isaac Schreeuwer wél genoemd. Abrahams moeder en hijzelf vertoeven dan in de Kolonie De Ommerschans (een ‘Kolonie van Weldadigheid’, waar bedelaars, landlopers en ‘onwilligen’ gedwongen werden tewerkgesteld), terwijl de vader Emanuel in Amsterdam als visdrager aan de slag zou zijn.
In 1829 wordt Abrahams overlijden echter ingeschreven in Amsterdam en dan wordt hij wél genoemd als zoon van Emanuel Schreeuwer en van Belletje Levie, koloniste in Ommerschans.

Lot van Emanuel Isaac Schreeuwer.
De overlijdensgegevens van Emanuel Isaac Schreeuwer heb ik niet kunnen traceren, misschien vooral vanwege de vele naamvarianten. Zeker is dat hij in 1828 nog leefde en in 1850, toen hun beide dochters trouwden, niet meer. De bijlagen bij het huwelijk van hun dochter Jansje bevatten geen overlijdensgegevens van haar ouders. Dochter Judik trouwde in Rotterdam.

Lot van Beletje Levie Vischschaper.
Ik stuitte op haar overlijdensakte: Beletje stierf op 21 januari 1848 in Amsterdam, als weduwe van Emanuel Schreeuwert. Aan www.bonmama.nl danken wij de informatie over haar leven in de ‘Kolonie van Weldadigheid’. Zij en haar zoontje Abraham werden op 24 november 1827 ingeschreven in het bedelaarsregister van de Kolonie ‘De Ommerschans’. Het lijkt erop dat het gezin zonder inkomen zat en dat Beletje is opgepakt wegens bedelen, maar ze kan ook alleen zijn komen te staan. Een van de weinige malen dat men uit die tijd een signalement van een vrouw tegenkomt: 1.40 m., grijsachtig haar, blauwe ogen, platte neus, een gewone mond gewoon en een ronde kin.
Op 15 augustus 1831 werd zij overgeplaatst naar het meer algemeen bekende Veenhuizen, waar zij op 21 april 1834 werd ontslagen. Beletje had wellicht een vak geleerd of in Amsterdam werden inmiddels betere omstandigheden voor haar verondersteld. Zij zal zijn teruggekeerd naar de hoofdstad. Het huwelijk van haar beide dochters heeft zij niet meer meegemaakt.

De genealogische gegevens worden bijgehouden via updates op mijn website. De eerstvolgende update is gepland voor de herfst 2019.

Arrestatie gezin Brisz

Er dook een politierapport op d.d. 21 augustus 1942 (met dank aan prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld c.s. van Tilburg University): om 8 uur in de avond stelden twee politiemannen een onderzoek in in de woning van het Tilburgse echtpaar Coolen-Oomen in de Atelierstraat 87. Zij hadden Joden verborgen. De agenten troffen de bewoonster aan, samen met Chaja Cywia Zoludkowska. Zij was geboren op 21 augustus 1894 in Kalsch, Polen. Het woonadres van Chaja en haar echtgenoot was Sarphatistraat 205 een hoog in Amsterdam. (Extra wrang feit: de arrestatie vond plaats op Chaja’s verjaardag.) Op de vliering vond men ook Chaja’s man en zoon: Eljasz Brisz, geboren te Lodz op 25 februari 1899, koopman en Gerszon Brisz, geboren te Kalisz, Polen op 23 februari 1922, bedrijfsleider. De bewoonster en haar drie onderduikers werden naar het Hoofdbureau van Politie overgebracht. Om 10 werd ook de bewoner zelf daar afgeleverd.
Nader onderzoek wees uit dat het echtpaar Coolen-Oomen de oorlog heeft overleefd. Het was me al bekend dat Eljasz Brisz in augustus 1942 in de gevangenis van Den Bosch was beland en dat deze drie Joodse mensen niet lang nadien in de vernietigingskampen waren vermoord. Zij waren de ouders en de broer van Sonja Sturkop-Brisz alias Brisch.
Voor hun verhuizing in 1938 naar Amsterdam woonden zij in diezelfde Atelierstraat, op nummer 87.

Pension Van Straalen

Dit artikel fungeert mede als oproep, in de hoop dat de zoekmachines de aandacht van nazaten van de onderstaande personen hierop vestigen:

Bij het onderzoek naar mijn grootmoeder Van Straalen en haar familie stuitte ik op de mooie website https://www.parkenbuurt.nl/. Daar valt te lezen dat aan de Loolaan 44 vanaf 1945 het pension ‘Huize van Straalen’ was gevestigd. Dit pension heeft daar vanaf 1945 gestaan. Een kijkje in ons stadsarchief vertelt ons dat zes leden van het gezin Van Straalen daar ook woonden. Voor mij handig in de buurt: tien minuten wandelen vanaf mijn adres.
Ik was deze familie lang ‘kwijt’. Hun spoor liep dood nadat zij in Arnhem hadden gewoond.

Eerst maar even ver terug in de tijd. De oprichter Johannes Willem van Straalen werd in 1857 in Amsterdam geboren, in een straatarm gezin. Net zoals zijn oudere broer werd hij kok bij de Marine, maar wegens ongeschiktheid verloor hij, na enkele verre reizen, zijn baan. In 1885 vertrok JW met zijn vrouw naar Zutphen en daar kwamen hun vijf kinderen ter wereld. In Zutphen begon JW een restaurant annex pension, dat zij tot 1912 als Hotel Van Straalen in bedrijf hielden:

De reden dat zij naar Arnhem vertrokken is niet achterhaald, maar JW zette daar met zijn echtgenote en drie kinderen het Pension Van Straalen voort. Men kon daar trouwens uitstekend dineren en – avant le lettre – maaltijden aan huis bestellen. Dochter Anna en zoon Pieter waren in Zutphen al het onderwijs ingegaan. Bij toeval ontdekte ik een foto van een door oorlogsgeweld verwoeste Korte Walstraat in Arnhem, waar het huis van Van Straalen troosteloos in een lange rij andere ruïnes stond. De reden dat het bedrijf daarmee verloren was gegaan is daarmee wel duidelijk. JW en zijn vijf kinderen bleken na 1945 nog te leven, dus geen der gezinsleden had daardoor het leven had gelaten.

In Arnhem hield het spoor per 1945 op, maar dat blijkt nu vlak bij huis verder te volgen. Zij zetten in Apeldoorn dus voor een derde maal een bedrijf op. JW liep bij aankomst in onze stad al tegen de negentig. Zijn dochters Zwanette en Gerardina en Jan, de jongste zoon, namen gezamenlijk de zaak over c.q. werkten erin mee. Al niet meer de jongsten: zoon Jan was de vijftig al gepasseerd. Successievelijk vestigden ook Anna en Pieter zich aan de Loolaan 44. Van Pieter (hij was leraar MO) is bekend dat hij en zijn echtgenote later aan de Felualaan woonden. JW is in 1952 overleden. Hij is bijna de enige in zijn generatie Van Straalen en de daarop volgende die aan de armoede wist te ontkomen.
Uit de overlijdensannonce van Anna (ze werd 101 jaar en overleed in Randerode) kunnen we opmaken dat geen der nazaten in 1990 nog in Apeldoorn woonde. Drie van hen woonden in het buitenland, drie anderen in andere plaatsen in ons land. We zullen proberen nog iets nader te weten te komen over deze onderneming, die tot 1965 in aan de Loolaan in stand bleef. Overigens kon men daar voor f. 7,50 overnachten.

Het is vreemd dat in onze familie naar mijn weten nooit over deze oom, tante, neven en nichten is gesproken. Als men van hen had geweten, dan zou het bombardement toch wel onderwerp van gesprek moeten zijn geweest. En het succes van oom JW zou aanleiding hebben gegeven tot opmerkingen daarover. Het is niet onmogelijk dat JW en zijn oudere broer, Paul Emile van Straalen, van elkaar waren vervreemd. Paul Emile, mijn overgrootvader, was scheepskok, later bij de wilde vaart en hij verliet zijn nogal grote gezin, om nooit meer terug te keren. Dat kan de reden zijn geweest dat ‘onze’ zijde nooit van de hunne heeft geweten.

Ik heb één flauwe hoop: mochten de ouderen onder ons zich nog iets van de gezinsleden herinneren, of bijvoorbeeld Pieter als docent hebben gehad, dan houd ik mij aanbevolen: ko@sturkop.nl. En wie weet kent iemand nog een nazaat, die wellicht nog mooie foto’s of verhalen heeft. In elk geval woonde in 1978 aan de Loolaan 27 nog de echtgenote van Pieter van Straalen. Zij overleed op dat adres; haar schoonzus en zwager Anna en Jan van Straalen ondertekenden mede vanuit Apeldoorn de overlijdensannonce.

Zo (groot)vader zo (klein)zoon

Altijd gedacht dat wij een vredelievend geslacht waren. Maar dan die vonnissen!

Mijn overgrootvader Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 26) verschijnt in november 1878 niet ter rechtszitting, maar wordt veroordeeld (verzachtende omstandigheden) tot een geldboete van 25 gulden c.q. een gevangenisstraf van 5 dagen. Hij had in de kantine van diamantslijperij Citroen aan de Jodenbreestraat moedwillig aan Salomon Asser Cohen met de vuist enige slagen in het aangezicht toegebracht. De klager was portier bij dit bedrijf en verklaarde onder ede dat hij geen aanleiding had gegeven tot die vuistslagen. Gelukkig had hij er geen ernstig letsel aan overgehouden, vandaar die verzachtende omstandigheden.
Afgezien van de losse handjes weten we gelijk bij wie hij werkte. Overigens noemde hij zich zowel Jacobus als Kobus, dus het laat zich aanzien waar ik mijn voornaam aan ontleen. Overigens in een lange rij tot in de achttiende eeuw.

Maar zijn vader kon er ook wat van: hij wordt ruim drie jaar eerder eveneens veroordeeld wegen het uitdelen van klappen. De politie was eraan te pas gekomen. Mozes Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 9) is net als zijn zoon diamantslijper. Op een januarizaterdag wandelde hij in de Weesperstraat en daar werd aan een zekere Salomon van Jacob de Leon moedwillig met de vuist een slag tegen de linkerwang toegebracht, waardoor laatstgenoemde hevig uit de mond gebloed had. Volgens de klager gebeurde dit na een meningsverschil tussen hen. Een getuige bevestigde dit onder ede. Gezien de minder ernstige gevolgen gaf dit aanleiding tot verzachtende omstandigheden. Betoveropa werd veroordeeld tot 15 gulden geldboete, indien niet op tijd betaald vervangend een gevangenisstraf van 4 dagen.

Maar ook diens vader liet van zich horen. Tegen Koopman Alexander Sturkop (Deel I – hoofdstuk 20) werd in augustus 1855 de klacht ingediend dat hij ‘ter beurze alhier’ aan een menigte aldaar verzamelde Israëlieten zou hebben toegevoegd dat zij geen vlees meer moesten kopen bij de klager, omdat deze daags tevoren onrein vlees (aan de kerkelijke wet niet voldaan) als rein aan Israëlieten had verkocht, hetgeen zijn niet mochten eten. Onze voorouder kwam er beter vanaf dan zijn zoon en zijn kleinzoon: ‘hetgeen noch wettig noch overtuigend bewezen was’. De beklaagde werd vrijgesproken.

Stephan Sturkop – Hulp aan Franse kinderen

In ‘Journal Officiel’ d.d. 11-7-1919 staat Stephan Sturkop (Zie Deel III – hoofdstuk 22), Nederlander, ‘aide-major’ 1ste klasse in het Nederlandse leger: heeft sinds januari 1918 gratis zijn zorg aan een groep van 50 Franse kinderen gegeven via een Amsterdams comité t.b.v. ziekenhuiswerk; heeft grote toewijding getoond tijdens een anginaepidemie en besmettelijke griep.

Isaäc Sturkop per rijwiel

In ‘Touring-club de France’ d.d. 15-10-1896 vond ik als kandidaat-lid voor de Franse wielerbond: J. Sturkop, fabrikant, Achtergracht 3. Dit betreft Isaäc Sturkop (Zie Deel II – hoofdstuk 29), de diamantair, van wie wij weten dat hij in 1895 samen met zijn zoon Stephan werkend lid was geworden van de ANWB. Het lijdt weinig twijfel dat hij werd geïnspireerd door zijn aangehuwd familielid Maurice Adler, die o.m. wereldkampioen op de driewieler was.