Marinetijd Paul Emile van Straalen

Mede dankzij de militaire stamboeken is het leven inzichtelijk geworden van overgrootvader Paul Emile van Straalen.

Van Paul Emile van Straalen was al bekend dat hij van augustus 1871 tot maart 1881 als koksmaat, kok en hofmeester bij de Marine in dienst was geweest. Zijn staat van dienst was duidelijk en is opgenomen in het nog te verschijnen essay over de familie Van Straalen. Nadat hij afzwaaide kwam hij terecht in de burgerscheepvaart. De gegevens uit deze periode wijzen erop dat hij niet altijd een eenvoudig te hanteren mens was, hij deserteerde bijvoorbeeld zelfs. Dat hij later opnieuw bij de Marine terecht kwam, ondanks deze onregelmatigheden, was ook bekend, maar de bijzonderheden ontbraken. Het tweede stamboek waarin hij voorkomt onthult het verloop van deze volgende periode. Uit het Bevolkingsregister was de aantekening reeds bekend dat hij op 14 juli 1884 naar de Marinekazerne vertrok.

Op 19 juli 1884 wordt Paul Emile van Straalen in Amsterdam aangenomen als koksmaat, voor de duur van vijf jaren. Hij komt op de rol van het Wachtschip te Amsterdam. De premie 50 gulden en het aanbrenggeld van f. 7,50 zal het straatarme gezin welkom zijn geweest. Het blijkt dat hij sinds zijn eerste aantreden, in 1871, nog flink wat gegroeid was. Indertijd was hij ook pas zestien jaar en slechts 1.46 meter lang, maar nu is hij volgroeid tot 1.55 meter. Voor de rest stemt zijn signalement in 1884 overeen met dat van dertien jaar eerder.

Een wachtschip is in feite een drijvende kazerne, bestemd voor lichtmatrozen en mariniers. Lang blijft hij niet op dat schip, want we vinden hem al in augustus 1884 op een schip van de marine, om daarna achtereenvolgens weer op een ander wachtschip en een volgend marinevaartuig terecht te komen. In januari 1885 wordt hij benoemd tot scheepskok. Begin december 1885 vertrekt hij aan boord van de ‘Prins van Oranje’ naar Oost-Indië, waar hij van januari daaraanvolgend tot augustus 1887 verblijft. Kennelijk ligt het grote ramtorenschip van de Marine ‘Koning der Nederlanden’ in de haven van Batavia, want na een verblijf van een paar dagen op het Wachtschip Batavia vinden wij hem daar op die boot. In maart 1887 wordt Paul Emile benoemd tot hofmeester. Na weer een kort verblijf op het Wachtschip Batavia vaart hij vanaf eind april 1887 op de ‘Tromp’.

In oktober 1887, terug in Nederland, krijgt hij de rang van matroos derde klas en verblijft hij vanaf december in Den Helder op het Wachtschip Willemsoord. In die tijd speelt ook de behandeling van een klacht die hij in december 1887 uitte tegen een Kapitein-ter-Zee, een klacht die in januari 1888 gegrond wordt verklaard. De formulering is zodanig dat men aan een beschuldiging door deze matroos aan een hoofdofficier moet denken.

Toch wordt hij in januari 1889 benoemd tot officierskok, nog steeds op het Wachtschip Willemsoord. Vanaf eind juni 1889 vaart hij een halfjaar op het schip ‘Stier’. Maar eind januari 1890 wordt hij op het Wachtschip Willemsoord in arrest gesteld om voor Zeekrijgsraad terecht te staan, beschuldigd van verduistering. Begin april 1890 wordt hij door het Hoger Militair Gerechtshof te Utrecht veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, gedegradeerd tot matroos derde klasse (zonder dat ergens vermeld staat dat hij voordien een hogere rang had, tenzij dat de positie van hofmeester en officierskok betreft) en in de kosten. De straf ging in op 18 februari en zou eindigen op 18 juni 1890. De tijd van het voorarrest is dus in overweging genomen. Een paar dagen na de uitspraak wordt Paul Emile van Straalen overgebracht naar de gevangenis te Goes. Op 28 juni 1890 is hij in verband met zijn veroordeling ontslagen, zonder certificaat van goed gedrag.

Uit het Bevolkingsregister wisten we alleen dat hij voor zijn terugkeer in de burgermaatschappij te Amsterdam, per medio juli 1890, verbleef op het Wachtschip Helder. De werkelijkheid blijkt derhalve ietwat anders te zijn. Ten tijde van zijn benoeming tot officierskok op Willemsoord werd, zoals we al wisten, in Den Helder dochter Milia geboren. Catharina van Straalen-Bredius woont in die tijd in die marinestad. We begrijpen nu waarom zij in april 1890 terugkeerde naar Amsterdam: haar echtgenoot kwam toen immers in Goes in de gevangenis terecht en zou niet meer terugkeren naar de marine.

De levens van Paul Emile en Catharina van Straalen zullen te volgen zijn in een essay dat in voorbereiding is.