Het gezin Kaestner

Mede dankzij de militaire stamboeken is het leven inzichtelijk geworden van voorvader Johann Wilhelm Kaestner, de vader van mijn betovergrootmoeder Gerritdina Kaestner.

Johann Wilhelm Kaestner werd op 15 mei 1796 geboren in Sondershausen, in het toenmalige Koninkrijk Saksen. Die plaats ligt die ongeveer veertig kilometer boven Erfurt. Op 1 mei 1813, toen hij dus bijna zeventien jaar was, trad hij toe in de krijgsmacht van de Vorst van Schwarzburg, ruim honderd kilometer ten oosten van zijn geboorteplaats. Hij zal de Russische veldtocht van Napoleon net niet hebben meegemaakt, maar de Koning van Saksen was een trouwe bondgenoot van de Franse keizer en niet veel later in dat jaar 1813 vonden grote veldslagen plaats in dat gebied. Het is allerminst uitgesloten dat oudopa Johann Wilhelm de Slag bij Dresden meemaakte, die plaatsvond op in augustus 1813. Dat was nog een Franse overwinning, maar in oktober daarop volgde bij Leipzig de grote Volkerenslag, waarin Napoleon werd verslagen.

Het ziet ernaar uit dat Johann Wilhelm Kaestner daarna terugkeerde naar Sondershausen, want bij zijn aankomst bij het Nederlandse leger gaf hij dat stadje op als de plek waar hij voordien woonde. Wie zal dat gecontroleerd hebben? Vanuit zijn geboorteland had hij het Evangelisch Luthers geloof met zich meegenomen. Op 1 oktober 1816 trad hij aan als fuselier bij de Zevende Afdeling Infanterie. Wij danken zijn signalement aan die gebeurtenis: een flinke gestalte, zeker voor die tijd, toen de meeste mannen niet veel groter werden dan 1.60 m. Kaestner stond ruim 1.75 m. op zijn voeten. Een lang gezicht, een rond voorhoofd, bruine ogen, zijn neus en mond waren ‘ordinair’, een uitdrukking die in die tijd ‘gewoon’ betekende, dus dat viel alweer mee. Zijn kin was rond en z’n haar en wenkbrauwen waren donkerbruin. Omdat hij waarschijnlijk al strijdgewoel had meegemaakt of gewoon omdat hij geschikt was als militair werd hij al in maart 1817 bevorderd tot korporaal.

Waar hij bij aankomst in ons land gelegerd was weten we (nog) niet, maar in december 1820 registreert men zijn aankomst in Deventer. Daar woont hij in ieder geval wanneer in mei 1822 dochter Willemina wordt geboren. Er zullen nog drie kinderen volgen, van wie we er nog twee nader gaan leren kennen. In februari 1829 komt de jongste, zoontje Fredrik, ter wereld, nog altijd in Deventer. Willemina was al na twee maanden gestorven, Fredrik overlijdt als hij bijna drie jaar is.

Na bijna zes jaren bij de Zevende Afdeling wordt hij, in februari 1822, overgeplaatst naar het Algemeen Depot der Landmacht, waar hij op 27 augustus van dat jaar wordt gepasporteerd, hetgeen inhoudt dat hij eervol uit militaire dienst is ontslagen. Het lijkt er dus op dat hij voor zes jaren had getekend. Maar precies twee jaar later, op 27 februari 1824, wordt hij vrijwillig geëngageerd als fuselier, voor de tijd van zes jaren en een maand. Dat levert hem een handgeld van tien guldens op. Was zijn eerdere rang vervallen? In elk geval wordt hij in september 1824 alweer korporaal. In september 1825 volgt de bevordering tot sergeant.

Hij moet in de periode waarin hij officieel geen militair was in Deventer zijn gebleven, want daar wordt, een half jaar na zijn herintreding, zoon Wilhelm geboren, in november 1824. Diens zus Gerritdina volgt in maart 1827. De borelingen dragen nog even de achternaam van hun moeder, want Johann Wilhelm Kaestner is dan nog niet getrouwd met de weduwe Gesina Sikking. Hun huwelijk vindt plaats op 17 mei 1828, nog altijd in Deventer. De twee kinderen worden per dat huwelijk gewettigd. De pasgehuwden zijn dan resp. 32 en 30 jaar oud. We lezen bij Gesina’s geboorte in Deventer: ‘op 6 july 1797 door vrouw Henning aangegeven dat zij op dato een onegt kind gehaald heeft bij Gardina Hoogeweg welke in barensnood tot vader van ’t zelve benoemd heeft Hendrik Zwarts, cannonier van guarnisoen te Maastricht’.

Omdat Johanns ouders Christiaan Kästner en Catharina Jacob, evenals als zijn vier grootouders, ‘alle voor verscheidene jaren’ in Duitsland waren overleden, heeft hij toestemming nodig voor zijn huwelijk. De kolonel die de Zevende Afdeling Infanterie commandeert, verleent aan Wilhelm Kästner, sergeant bij het Tweede Bataljon, toestemming om een huwelijk te mogen aangaan met Gesina Sikkink (de spelling Sikking en Sikkink wisselt nogal eens). Wilhelm Kästner, zoals ook de spelling bij zijn geboorte zal zijn geweest, en Gesina Sikkink zijn onvermogend om de kosten voor het huwelijk te betalen. Zij wonen – in elk geval in 1829 – in de Kloosterkazerne te Deventer. Dat adres levert een moment van nostalgische herkenning op: ik noteerde dit in de jaren tachtig op het Gemeentearchief van Deventer, dat in deze voormalige Kloosterkazerne was gevestigd en ik keek door de ramen uit op de binnenplaats, waar ooit deze voorvader zijn exercities beoefende. Op hetzelfde adres waar hij in die kazerne woonde, vinden we ook twee andere sergeants met hun gezinnen. Het zal een drukbezet huis zijn geweest. De ene onderofficier had een dochter van zeventien en de andere had twee jonge zoontjes en vier jonge dochters. Daar kwamen de kinderen Kaestner dan nog bij.

Het dienstverband moet zowel de werkgever als de werknemer zijn bevallen, want eind maart 1829 wordt Johann Wilhelm geëngageerd voor de rest van zijn leven. In de loop der tijd wordt hij een aantal malen gedecoreerd. In augustus 1829 ontvangt hij de Bronzen Medaille en in april 1832 het Metalen Kruis. In de jaren 1831 tot en met 1834 vinden wij hem in het zuiden des land, tijdens de destijds zogeheten Opstand in België. In 1836 volgt nog de Zilveren Medaille.

Er moet nog worden uitgezocht waar zijn legeronderdeel in al die jaren was neergestreken. Dat zal licht werpen op de vraag hoe zijn dochter Gerritdina kennis maakte met Jacobus Henri van Straalen, haar latere echtgenoot en – nog veel later – onze betovergrootouders. Van Straalen diende vanaf 1844 tot 1851 in de krijgsmacht, in de latere jaren eveneens als sergeant.

We kunnen ervanuit gaan dat Johann Wilhelm rond 1841 in Maastricht verbleef. Ook zoon Wilhelm is in dat jaar onder de wapenen gegaan. Wanneer echtgenote Gesina Sikking overlijdt op 17 september 1849 is dat nog steeds in Maastricht. Gesina is 52 jaar geworden. In die jaren diende haar echtgenoot nog altijd bij het Tweede Bataljon van het Zevende Regiment, dat in de Augustijnenkazerne in de Mariastraat was gelegerd.

In april 1851 wordt Johann Wilhelm Kaestner – die soms ook als Jan Willem en onder namen zoals Kestner of Kostner te boek staat – eervol ontslagen, met een jaarlijks engagement van 130 gulden. Hij maakte nagenoeg geheel 35 dienstjaren vol. Hij zou meer dan een kwarteeuw van zijn pensionering kunnen genieten. Hij en dochter Gerritdina blijven nog kort in de Mariastraat in Maastricht wonen. Gerritdina was in 1847 getrouwd en het echtpaar kreeg een zoontje. Maar haar echtgenoot stierf al een paar maanden na hun huwelijk, kort daarop gevolgd door het kind, dat slechts twee maanden oud werd.

Gerritdina trouwde in 1855 in Maastricht met de bovengenoemde Jacobus Henri van Straalen, maar op de dag dat dit huwelijk werd voltrokken waren er al drie kinderen. Zij kwamen met de naam Kaestner ter wereld en ze werden op op de trouwdag gewettigd. De jongste van deze drie was mijn overgrootvader Paul Henri van Straalen.

Na juli 1851 waren de gepensioneerde sergeant Johann Wilhelm en zijn dochter al in het Gelderse Wijchen te vinden, vlakbij Nijmegen, waar Jacobus Henri van Straalen was gelegerd. We zoeken nog uit of zoon Wilhelm Kaestner zich daar ook in die tijd bevond; beiden maakten deel uit van het Zesde Regiment Infanterie.

Erg lang zijn zij niet in de buurt van Nijmegen gebleven. Carolina Gesina, Johanns oudste kleinkind, werd in december 1851 in Wijchen geboren. Het nog niet gehuwde gezinnetje vertrekt kort daarop naar Amsterdam, de geboortestad van Jacobus Henri van Straalen. Dat wil zeggen: eerst vestigt Gerritdina zich daar, met hun dochter, in de Grote Oostenburgerstraat. Ze verblijven bij het echtpaar Vork, in wie wij de hoogstwaarschijnlijke pleegouders van Jacobus Henri van Straalen menen te herkennen. Dat is begin juli 1852. Een maand later voegt echtgenoot vader Jacobus Henri zich bij hen. Al in oktober vertrekken zij naar een eigen plek in dezelfde straat, waar Johann Wilhelm Kaestner zich vanuit Wijchen bij hen voegt.

Ook het verblijf in Amsterdam duurt kort, nu van wel zeer korte duur. Vanaf medio december 1852 wonen zij in Deventer, de geboortestad van Gerritdina Kaestner. Zij en haar gezin blijven daar slechts kort: in februari 1853 vinden wij hen weer in het zuiden van Limburg. We zullen hen veel jaren nadien nog in Deventer terugzien. Vader Kaestner blijft achter in Deventer. Vanaf die plek beleeft hij de geboorte van een flink aantal kleinkinderen. Gerritdina schenkt in de periode van 1853 tot 1860 het leven aan nog vijf nazaten: in Maastricht worden Johanna Paulina Louisa en Paul Emile geboren, in Lekkerkerk Johannes Willem en Maria Jacoba en ten slotte in Overschie Henriëtta Maria, die een jaar later in Hellevoetsluis overlijdt. Jacobus Henri van Straalen was in die plaatsen aan het werk als rijksambtenaar. We weten niet wat zijn werkzaamheden inhielden.
In Haarlem, waar zoon Wilhelm Kaestner na zijn jaren in het leger onderwijzer is geworden, verrijkt diens gezin de familie tussen 1851 en 1869 met minstens twaalf kleinkinderen, die lang niet allemaal volwassen worden.

Johann Wilhelm Kaestner is dus in Deventer blijven wonen. In september 1853 trouwt hij daar met de vijftigjarige weduwe Johanna Roesink. Hij is zelf dan al achter in de vijftig. Ze wonen op verschillende adressen, tussentijds ook nog kort in Harderwijk en in Diepenveen. Die laatste plaats ligt vlak tegen Deventer aan en, gezien het adres Noordenberg, misschien zelfs op dezelfde plek. Vanaf 1869 verblijven zij definitief in Deventer. Daar sterft Johanna Roesink in oktober 1873, in de leeftijd van zeventig jaar. Op 15 januari 1878 komt ook een einde aan het veelbewogen leven van Johann Wilhelm Kaestner. Hij werd ruim 81 jaar.

In hun latere levensjaren beleefden zij nog wel het een en ander met de familie. Zoals we zagen overleed het jongste kind van dochter Gerritdina en stierf een flink aantal kinderen van zoon Wilhelm Kaestner. Het echtpaar Van Straalen-Kaestner keerde in januari 1871 opnieuw terug naar Deventer. Zij trokken hoogstwaarschijnlijk in bij Johann Wilhelm en zijn echtgenote, die nog altijd aan de Noorderbergstraat woonden. Hun twee oudste, nog niet meerderjarige kinderen bleven achter in Amsterdam. Gerritdina overleed daar in januari 1872, een jaar na hun aankomst, nog geen 45 jaar oud. Jacobus Henri volgde haar in dat lot in april 1873. Hij werd 48 jaar. Hun zoon Paul Emile had zich al in maart 1871 in Amsterdam bij de marine aangemonsterd en dochter Maria Jacoba keerde een paar maanden na de dood van haar moeder terug naar Amsterdam. Kleinzoon Johannes Willem van Straalen bleef nog het langst bij zijn grootvader wonen; hij verhuisde in april 1873 naar Arnhem, verbleef tussen eind 1875 en begin 1876 nog even bij opa en vestigde zich daarna in Amsterdam.

De levens van Jacobus Henri en Gerritdina van Straalen zullen te volgen zijn in een essay dat in voorbereiding is. De militaire loopbaan van Wilhelm Kaestner later nog uitgewerkt.