Maurits Nijkerk & Zonen.

Maurits Nijkerk (Mozes Barend Benjamin Nieuwkerk) was de oudste kleinzoon van Mozes Barend Nieuwkerk en Duifje Koopman Sturkop. Hij werd in Amsterdam geboren op 15 juli 1877, als zoon van Benjamin Nieuwkerk en Bluma Flora Kleinmann. Zijn plaats in de genealogie van het geslacht Nieuwkerk is opgenomen in www.sturkop.nl\genealogie. Zijn plaats in de onderneming die bekend stond als de IJzerdynastie B.J. Nijkerk N.V. wordt duidelijk uit onderstaand schema.


Net zoals vele naamgenoten noemde hij zich Nijkerk, maar hij liet zijn naam nooit officieel veranderen. Anders dan zijn naaste verwanten nam hij geen deel in de onderneming. In zijn jonge jaren, toen hij nog bij zijn ouders woonde, stond hij te boek als kantoorbediende, wellicht toentertijd voor korte tijd bij het familiebedrijf. Zijn twee broers (en later zijn drie zoons) brachten, samen met hun neef Marinus (Bob) Nijkerk, het toch al welvarende slopers- en metaalconcern tot grote hoogte. Maurits’ grootvader Mozes Barend Nijkerk behoorde in 1886 al tot de hoogst door de directe belastingen aangeslagen inwoners van de provincie Noord-Holland.

Hij woonde tot februari 1905 bij zijn ouders, achtereenvolgens aan de Plantage Kerklaan, de Nieuwe Keizersgracht en in een benedenwoning aan de Sarphatistraat. Maurits trad op 14 februari 1905 in het huwelijk met Judith Sara de Vries, die luisterde naar de roepnaam Juliette. De inzegeningen vonden op dezelfde dag plaats; zowel de choppe in de Nieuwe Synagoge en het burgerlijk huwelijk in het Stadhuis. Maurits Nijkerk was geen kleine man voor zijn tijd: 1,80 meter lang. Hij had bruine ogen en donkerblond haar.

Maurits was toen 27 jaar en had, samen met een zakenpartner, voordien al het importbedrijf in tabak M.B. Nijkerk & Co. opgericht. In de jaren tot en met 1907 zien wij melding van import vanuit Indië. Het echtpaar ging aan de Stadhouderskade 88 wonen, alwaar hun drie zonen ter wereld kwamen. Deze handel in tabak was van tamelijk korte duur.
De samenwerking tussen Mozes Barend Benjamin Nijkerk en Gustave Stokvis en de firmanaam werden officieel middels akte bekrachtigd op 10 mei 1906 . Maar op 31 december 1906 was de vennootschap alweer ontbonden, waarbij de heer Stokvis de naam mocht blijven voeren.

Desondanks zien we vervolgens dezelfde naam M.B. Nijkerk & Co. onder auspiciën van Maurits Nijkerk terug als handel in granen, nog steeds gevestigd aan de Oudezijds Voorburgwal. Van 1905 tot 1916 hield men kantoor op de nummers 322-324; daarna was het bedrijf te vinden op nummer 290, bekend als De Brakke Grond. Misschien had Gustave Stokvis de zaak toch niet onder die firmanaam voortgezet, want niet veel later verbleef hij onder andere in de Verenigde Staten en keerde niet terug naar Amsterdam.

M.B. Nijkerk & Co., werd in 1921 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, als voortzetting van de bestaande firma, een agentuur en commissiehandel in buitenlands graan, oliezaden, kopra, enzovoort. Het jaar van vestiging was 1920; er waren huwelijkse voorwaarden van kracht. Er waren nogal wat mutaties, zoals het ontslag van een procuratiehouder en uittreding van oude en intrede van nieuwe mede-eigenaren: naast Maurits Nijkerk zelf waren er ook andere eigenaren van de vennootschap. Ook de ondernemingsvorm werd tussentijds aangepast. In Rotterdam was een filiaal aan de Gedempte Binnenrotte, onder de naam M.B. Nykerk & Co., maar dat werd al in 1922 opgeheven. In 1928 trad de laatste andere eigenaar uit en zette Nijkerk de zaak alleen voort. De ondernemingsvorm werd dan: nu graancommissiezaken en voor eigen rekening. Vroeg in 1931 werd de firma opgeheven. Maar toen Maurits Nijkerk in 1941 overleed stond hij nog te boek als ‘meelagent.’

Halverwege 1913 was het gezin verhuisd naar een bovenwoning aan de Nicolaas Witsenkade 12 bovenhuis, waar zij tot begin 1922 bleven. Vanaf februari 1922 woonden zij aan de Jan Luykenstraat 72, in het benedenhuis.

In 1923 bracht Maurits Nijkerk in een advertentie, als lid van een comité, kiesadvies uit ten gunste van een zekere A. Asscher van de Vrijzinnig Democratische Bond. Dit betreft Abraham Asscher, in de oorlogsjaren een der voorzitters van de Joodsche Raad. De heren zouden nog veel samenwerken. In datzelfde jaar bracht ook Maurits’ achterneef dr. Stephan Sturkop het advies uit om op de Vrijzinnig Democraten te stemmen.
In 5 december 1924 werd Nijkerk geïnstalleerd als lid van het kerkbestuur der Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, waartoe hij met bijna algemene stemmen werd benoemd. ‘Door familietraditie aan de Joodse gemeente verbonden’, zo schreef men over hem. Hij werd door een medelid ‘schertsenderwijze’ de ‘baby’ van het kerkbestuur genoemd. Bij de installatie werd gememoreerd, ‘zinspelend op de eigenlijke naam bij de Burgerlijke Stand (Nieuwkerk), dat dit het gelukkig voorteken werd geacht dat bij de bouw van nieuwe kerkgebouwen, de heer Nijkerk zijn intrede deed in het kerkbestuur.’ In de loop der jaren verrichte Maurits Nijkerk vele openbare taken namens het kerkbestuur. Zo had hij in 1927 zitting in een commissie onder gezag van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge over verbouwing van rituele vleeshallen (in de Nieuwe Kerk en in de Amstelstraat) in verband met de vleeskeuringswet. Een vergadering over dat onderwerp stond onder zijn presidium. In 1929 was hij nog steeds lid van de bouwcommissie bij de verbouwing van die vleeshallen.

In datzelfde jaar werd hij voorzitter van de ‘Vereniging tot oprichting en instandhouding ener Nijverheidsschool in de buurt Uilenburg’.

Voor zijn werk als voorzitter van deze vereniging werd M.B.B. Nijkerk bij Koninklijk besluit van 4 maart 1933 onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Maurits Nijkerk hield een aantal toespraken, zoals in september 1930 in het kader van de nijverheidsschool, waarbij de vereniging Beis Jisroeil (het ‘Joods Ons Huis’, dat zich richtte op ‘ontwikkelings-, opvoedings- en beschavingsarbeid’) ter sprake kwam (over zichzelf sprekende in de derde persoon enkelvoud): ‘Men zou kunnen denken dat zijn gevoelens uit egoïsme voortspruiten, dat hij blij is Beis Jisroeil kwijt te zijn. Dit gevoel is hem echter geheel vreemd. Toen 10 jaar geleden de noodzakelijkheid van het werk van Beis nog niet zo werd ingezien en men er nog enigermate schroomvallig tegenover stond, hebben [] begrepen dat de Vereniging in een behoefte zou voorzien. De bevolking der school toch komt uit een milieu waarvoor morele opvoeding nodig was. de school draagt een ongelukkige naam. Nog ongelukkiger is het, dat deze naam op de kinderen van toepassing is. Reeds lang was door de schoolcommissie de noodzakelijkheid ingezien, om de kinderen bij het verlaten der school iets mee te geven. Gaarne heeft zij dan ook aan het verzoek van Beis, om van de lokalen der school gebruik te mogen maken, gevolg gegeven. Spijt heeft men er nooit van gehad, te minder, toen men zag, dat het werk vooruitgang en resultaten had. Kwesties zijn er nooit geweest. Spreker hoopt dat in het nieuwe gebouw het werk der vereniging dezelfde groei als in de afgelopen jaren zal komen’.

In de maand daarop, op 24 oktober 1930, overleed Juliette Nijkerk-de Vries. Maurits’ echtgenote werd na haar dood herinnerd in het Centraal Blad voor Israëlieten: ‘Zij was de waardige gade van het lid van het Kerkbestuur, de heer M.B. Nijkerk. Ze was een aantal jaren regentes van het N.I. Meisjesweeshuis en ze werd geroemd om haar eenvoud, vriendelijkheid en de liefdevolle wijze in die taak’. Er was zeer grote belangstelling bij haar begrafenis op Muiderberg. Enkelen hielden toespraken, onder wie mr. dr. M.I. Prins. (Diens naam geeft hits op internet, o.a. als jurist, opperrabbijn, lid van de Joodsche Raad.) Judith de Vries werd 55 jaar. Duidelijk is dat zij evenmin als haar echtgenoot stil heeft gezeten.

In mei 1933 werd Maurits Nijkerk secretaris van een ‘Economische Commissie voor het verlenen van commercieel en juridisch advies, in industriële en handszaken voor Joden in Nederland’. De correspondentie kon aan zijn adres in de Jan Luykenstraat worden gericht. In de jaren nadien ziet men hem vaak optreden namens het kerkbestuur van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge. In 1936 traden enkele leden (herkiesbaar) af als lid van de Centrale Commissie tot de Algemene Zaken het Nederlands-Israëlitische kerkgenootschap. Behalve M.B. Nijkerk zien we onder andere bekende namen ook A. Asscher en prof dr. D. Cohen, bieden de latere voorzitters van de Joodse Raad.
Toen de nieuwe synagoge in de Lekstraat in oktober 1936 aanbouw was legden leden van het kerkbestuur en van de commissie voor de bouw een gedenksteen annex hoeksteen. Het kerkbestuur met haar rabbijnen en penningmeesters waren daarbij aanwezig. De steen werd mede gelegd door o.a. Abraham Asscher, voorzitter van de Kerkenraad.

Er zijn meldingen van activiteiten naast Maurits’ kerkelijke taken, zoals zijn toelating in 1937 als gewoon lid van het Genootschap Amstelodamum. In dat jaar was hij ook secretaris van het hoofdbestuur van de Vereniging tot steun van het Nederlands-Israëlitische seminarium. In mei 1937 fungeert hij gedurende het lopende jaar als voorzitter van het kerkbestuur van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge. Een maand later blijkt ook dat Maurits Nijkerk voorzitter was van het synagogaal ressort Noord-Holland.

Maurits Nijkerk krijgt op 30 juli 1937 ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag een diner aangeboden, als voorzitter van het Kerkbestuur der N.I.H.S. (Zittend, tweede van rechts.)

Op enig moment, tegen het einde van de jaren dertig, verhuisde Maurits Nijkerk naar de Oranje Nassaulaan, waar hij inwoonde bij een zekere Jacques Bernard Picard, die administrateur was bij de Joodsche Raad. Nijkerk heeft de oorlogsjaren slechts kort beleefd. Op 10 maart 1941 is hij in Amsterdam overleden, 63 jaar oud. Zijn drie zoons plaatsten een overlijdensannonce voor hun vader; Dolf vanuit Amsterdam, de beide anderen vanuit Brussel. Hij was Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij ligt begraven te Muiderberg. Behalve de drie nog ongehuwde zoons plaatsten nog anderen een rouwannonce.

Na zijn dood werd de naam van Maurits Nijkerk verbonden aan de school die voortvloeide uit zijn inspanningen ten behoeve van het nijverheidsonderwijs. In het jaar van zijn overlijden werd ook ‘zijn’ school getroffen door de maatregelen van de Duitser bezetter. Op 29 augustus 1941 werd een wet uitgevaardigd waarin het Joodse leerlingen verboden wordt nog onderwijs te ontvangen aan openbare onderwijsinstellingen. ‘De Joodse voorzitter van het schoolbestuur van de Derde Ambachtsschool aan het Timorplein. M.B. Nijkerk, neemt zelf ontslag, tot spijt van de Maatschappij. Weliswaar stelt Nijkerk voor in de Timorpleinschool een aparte Joodse schoolruimte in te richten, maar het Maatschappijbestuur aarzelt op haar vergadering van 3 september 1941 hier op in te gaan en wil wachten op een initiatief van de Joodsche Raad. Er komt niet een antwoord zoals de Maatschappij dat hoopt of wenst. Alle leerlingen van de Timorpleinschool moeten op 31 september 1941 langs de conciërge defileren, die alle leerlingen stuk voor stuk vraagt of ze Joods zijn. Als men deze vraag bevestigend beantwoordt, volgt de mededeling dat men de volgende dag niet meer hoeft terug te komen. De 103 Joodse kinderen die dit lot zo onverwacht treft, halen hun spulletjes op uit de diverse lokalen en komen niet meer terug. Inmiddels heeft de Joodsche Raad het vakonderwijs voor Joodse scholieren opgepakt en wordt op 17 december 1941 de M.B. Nijkerkschool geopend aan Rapenburgerstraat 128. Nijkerk zelf is inmiddels overleden; een zoon bedankt voor de eer zijn vader aangedaan. Van de 103 Joodse leerlingen van de Timorpleinschool worden er voor zover bekend in ieder geval 84 om het leven gebracht.’
De M.B. Nijkerkschool (Nijverheidschool van de Joodsche Centrale Beroepsopleiding) werd geopend in aanwezigheid van onder anderen prof. Cohen, voorzitter van de Joodschen Raad. De school verzorgde cursussen en leergangen voor ongeveer 1300 personen. De M.B. Nijkerkschool bestond oorspronkelijk uit ‘losse’ cursussen – meubelmaken, stofferen, behangen etc. ‘De school ontving de naam ter herinnering aan de man, die zoveel voor het Joodse nijverheidsonderwijs voelde en deed. Een zoon van M.B. Nijkerk dankte voor de eer zijn vader aangedaan.’ Wie van de drie zoons dit is geweest werd er niet bij vermeld: Benno en Hugo verbleven toentertijd in België; alleen Dolf woonde nog in Amsterdam. Tot in 1943 verschenen er nog annonces voor de ambachtsschool M.B. Nijkerk in de kranten. Er zijn dan scholen in de Rapenburgerstraat, de Muiderstraat en aan het Westeinde. Er werd in allerlei vakken onderricht gegeven, zoals horlogemaken, fotografie, optiek en vele andere. Opvallend is het dat geïnteresseerden zich moeten aanmelden in de Hemonylaan 27, Maurits’ vroegere adres. Ook zijn zoons woonde daar al niet meer. Op dat adres was de Joodsche Centrale voor Beroepsopleiding gevestigd.

Maurits en Juliette Nijkerk kregen drie kinderen: op 2 oktober 1906 Benjamin Maurits (Benno), op 27 maart 1910 Adolf Maurits (Dolf) en ten slotte op 5 september 1911 Hugo Karel Maurits (Hugo). Zij noemden zich alle drie Nijkerk, maar alleen voor de twee jongsten werd na de oorlog de wettelijke naamsverandering doorgevoerd.
De drie zoons, die allen de Handelsschool hadden voltooid, traden tot het familiebedrijf Nijkerk toe. Hugo werkte in zijn jeugd nog enige tijd bij het graan- en exportbedrijf van zijn vader.

Benno Nijkerk speelde een vooraanstaande rol in het verzet en hielp zo de levens redden van meer dan duizend mensen. Over hem is een eigen artikel aangeboden voor het kwartaalblad Misjpoge.

Dolf Nijkerk was een fervent zionist, die desondanks trouwde met een katholieke vrouw. Hij ontkwam in de oorlog naar Engeland en ging daar in militaire dienst. Daar ontmoette hij in een legermess Margreth Page. Zij was WREN (Women’s Royal Naval Services) bij het vrouwencorps. Vanaf 1945 tot 1975 leidde hij op succesvolle wijze de Wiener & Co. Machinefabriek, de machinetak van het concern Nijkerk. In 1957 verruilde hij Amsterdam voor Bussum. Dolf is ruim 70 jaar geworden. Hij overleed in december 1980.

Hugo Nijkerk nam samen met broer Benno in 1938 de leiding over van de Belgische tak van het concern Nijkerk. In de oorlog zat hij bij de Prinses Irene Brigade. Hij zat op een brengun carrier en deed mee aan de bevrijding van Brussel. Daarna stootte zijn onderdeel door naar het oosten. Toen zij te ver voor de troepen uit reden werden zij in brand geschoten. Hugo werd met moeite Hugo bevrijd, maar de hitte had zijn ogen verwoest. Uiteindelijk volgde Hugo Nijkerk zijn Marinus (Bob Nijkerk) definitief op in Brussel. Zijn broer Benno was immers in de oorlog omgekomen. Daarnaast was hij ook vennoot van B.J. Nijkerk in Nederland en vennoot van Wiener & Co. Na 1945 had Hugo Nijkerk grote moeite om de in moeilijkheden verkerende firma B.J. Nijkerk weer op de rails te zetten, want alles was verwoest en de kas was leeggeroofd. Hugo Nijkerk is jarenlang voorzitter geweest van de Nederlandse Schrootvereniging en ook vier jaar president van de Wereld Recycling Organisatie, waarin 52 landen waren vertegenwoordigd. Het Bureau of International Recycling werd in 1948 opgericht in het Amstelhotel tijdens de receptie van B.J. Nijkerk N.V., op de dag dat de firma 125 jaar bestond. Op 15 november 1969 is Hugo Nijkerk in Brussel gestorven, in de ouderdom van 58 jaar. Hij was Ridder in de Kroonorder van België. De Federatie van Verenigingen van Handelaren in Oude Materialen en Afvalstoffen berichtte: ‘Zijn persoon, zijn visie en zijn voortreffelijk beleid, gepaard aan beminnelijkheid, hebben zeer belangrijk bijgedragen tot de ontwikkeling van het organisatieleven in onze branche. Op de door hem gelegde basis zullen wij voortbouwen’ en anderen voegden daaraan toe: ‘Zijn wijs en menselijk oordeel zullen wij node missen’. Hugo Nijkerk was getrouwd met Kobi von Scholtz. Zij was Vietnamese van geboorte en als meisje geadopteerd door Baron Von Scholz. Ook zij speelde een stevige rol in de onderneming.

Over deze familie Nijkerk en hun professionele leven staat meer vermeld op www.sturkop.nl\genealogie.