Diamantbewerkers Sturkop en Sturhoofd

In het kader van het project Vele Handen (www.velehanden.nl) hebben vrijwilligers de lidmaatschapskaarten en leerlingkaarten van Amsterdamse diamantbewerkers, die lid waren van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) waren, helpen digitaliseren. De site biedt een schat aan gegevens die op een andere manier niet boven water kwamen. Zo ziet men welke vakken zij uitoefenden. In het geval van de naamgenoten Sturkop en Sturhoofd betreft dit:
* Vakgroep 2: briljantslijpersknechten.
* Vakgroep 4: briljantsnijders en -snijdsters.
* Vakgroep 7: roosjessnijders en -snijdsters.
De briljantslijpersknechten werden zo genoemd ter onderscheid van de briljantslijpersbazen, die zelfstandig werkten en briljantslijpersknechten in dienst hadden. Deze ‘knechten’ waren dus gewoon diamantbewerkers, in loondienst. De roosjessnijders bewerkten de ‘roosjes’, diamant van wat mindere kwaliteit dan de briljant.
Daarnaast zien we dat de adressen van sommigen niet in het Bevolkingsregister terug te vinden zijn. Vaak maken zij dan een vakmatig uitstapje naar bijvoorbeeld Antwerpen – vaak voor tamelijk korte tijd. Ook zien we waarom sommige diamantbewerkers afscheid namen van de bond – of moesten nemen, zoals in 1942. Ten slotte leren we dat een Poolse diamantbewerker een tijdje inwoonde bij een van onze naamgenoten.

Elisabeth Sturhoofd (Deel II hoofdstuk 36) werd lid in oktober 1904. Zij was roosjessnijdster. In september 1917 bedankte zij wegens voortdurende werkloosheid. Zij was toen 59 jaar. Elders zagen we al dat zij vaak een werkloosheidsuitkering ontving. Elisabeths jongere broer Hijman Sturhoofd (Deel II hoofdstuk 40) was al lid sinds augustus 1898. Hij was briljantsnijder. In september bedankte hij wegens zijn pensionering. Tot en met 1941 leverde hem dat iets meer dan honderd gulden per jaar op. Wat niet bekend was is dat hij in februari 1940 terecht kwam in het Oudeliedengesticht aan de Nieuwe Keizersgracht. Lang heeft dat niet geduurd, want vanaf september van dat jaar woonde hij, zoals bekend, in de Vrolikstraat. Uitgezocht moet worden of de Joodse bewoners van dat ‘gesticht’ als gevolg van maatregelen van de Duitse bezetter verplicht moesten verhuizen. 1940 was weliswaar nog tamelijk vroeg in de oorlog, maar verhuizing naar de Transvaalbuurt gebeurde niet veel later op grotere schaal. Op zijn 69ste levensjaar moest hij dus nog het onderkomen van zijn oude dag verlaten. Marcus Sturhoofd (Deel III hoofdstuk 26) was van 1907 tot september 1909 leerling, onder meer bij J. Sturhoofd in de fabriek van Hekster. Dat betreft Marcus’ oom Jacobus Sturhoofd (Deel II hoofdstuk 38), een broer van bovengenoemde Elisabeth en Hijman. Marcus bleef lid van de ANDB tot november 1922 en werd opnieuw lid in februari 1937. Hij is een voorbeeld van een korte tussenstop in Antwerpen: twee weken in mei 1913. Hij moest ook in militaire dienst: in december 1917 maakte hij onderdeel uit van het 18de regiment infanterie, 2de compagnie. Dat duurde tot juli 1918. Twee maanden later diende hij weer in datzelfde onderdeel, nu voor twee maanden. Marcus Sturhoofd was briljantslijpersknecht. Alexander Sturkop (Deel III hoofdstuk 33) was eveneens briljantslijpersknecht. Als leerling werkte hij van mei 1917 tot juli 1919 bij M. Sturkop, in het atelier Prinses Marie. We kunnen ervan uitgaan dat dit Alexanders vader Maurits was (zie hieronder), van wie we meteen weten dat hij er een eigen activiteit op na hield. Alexander Sturkop was vanaf juli 1919 lid en bedankte in oktober 1920, omdat hij voor een ander vak had gekozen. Zo af en toe maakte hij uitstapjes van meestal korte duur naar Antwerpen. In oktober 1923 werd hij opnieuw lid van de ANDB, wat duurde tot mei 1942, toen hij werd afgevoerd wegens ‘verwaarlozing van zijn lidmaatschap’. Hij werkte inderdaad niet meer als diamantbewerker, want we zien dat hij al in december 1936 kantoorbediende werd, kennelijk bij de Algemeene Nederlandsche Handelsmaatschappij. Hij had nog twee naamgenoten die in de diamantbewerking zaten. Alexander Sturkop (Deel III hoofdstuk 34), zoon van Jacob Sturkop, was briljantslijpersknecht. Hij was lid sinds januari 1937 en ‘bedankte’ in 1942 op grond van verordening Rk. 199/41 28-3-1942 en ‘ging over naar’ Betsalel. In 1942 werd het voor Joden verboden om nog langer lid te zijn van de ANDB. Het NIW schreef daarover: ‘Het bestuur van de Vereeniging van Israëlietische Diamantbewerkers ‘Betsalel’ deelt mede, dat op grond van de Verordening van den Rijkscommissaris No. 199/41, alle Joodsche diamantbewerkers(sters) moeten bedanken als lid van den Alg. Ned. Diamantbewerkersbond. Tegelijk moeten zij aanvragen, als lid te worden ingeschreven van ‘Betsalel’. Dat lot trof ook Alexanders vader Jacob Sturkop (Deel III hoofdstuk 17). Hij was eveneens briljantslijpersknecht en lid vanaf maart 1900. Van mei 1901 tot februari 1905 zat hij in Londen, werd militair in mei 1908. In de periode van januari 1912 tot 1921 verdween hij enkele malen naar Antwerpen. Na tussentijdse opzegging werd hij weer lid in maart 1934. Ook hij ‘bedankte’ op last van de Duitse bezetter. Lodewijk Sturkop (Deel III hoofdstuk 21) was als leerling vanaf mei 1929 bij I.J. Asscher van de fabriek Asscher. Zijn verdere verloop is hier niet weergegeven, maar we wisten al dat hij zich niet verder in dit vak bezighield. Louis Sturkop (Deel III hoofdstuk 35) was lid sinds juli 1933. Hij bedankte in juli 1936, maar trad vier maanden opnieuw toe tot de ANDB. Net als zijn vader Jacob en broer Alexander werd hij in 1942 door de bezetter gedwongen om toe te treden tot ‘Betsalel’. Van november 1947 tot 1951 was hij weer lid. Mozes Salomon Sturkop (Maurits, deel III hoofdstuk 15) was al lid vanaf januari 1898. Zijn lidmaatschap werd enkele malen onderbroken vanwege werk in Antwerpen, maar in augustus 1925 bedankte hij definitief voor de bond vanwege zijn definitief vertrek naar die stad. Tot slot de laatste Alexander Sturkop (Deel III hoofdstuk 13), zoon van Isaäc Sturkop. Hij was leerling bij verschillende bazen en kreeg zijn diploma van briljantslijpersknecht in september 1912. Alexander verliet het vak in december 1917.

Het verloop van de levens van bovengenoemde personen is terug te vinden in de delen II en III van de genealogie Sturkop & Sturhoofd of kan gevolgd worden op de website http://publiek.sturkop.nl/haza21/startpagina.htm.

Nieuws uit de tijdschriften

In maart 2019 voegde www.delpher.nl een groot aantal oude tijdschriften toe aan haar digitale collectie. De naam Sturkop scoorde 93 hits; Sturhoofd geen enkele. Vele berichten gingen over de zwemsport en over dr. Stephan Sturkop, maar er waren ook enkele andere bij. Een klein aantal kan niet worden via internet worden ingezien. Daarvoor moet men naar de Koninklijke Bibliotheek, omdat ze van te recente datum zijn (na 1939).

Alexander Sturkop (1898-1943), zoon van Isaäc Sturkop en Maria Hont, van wie bekend was dat hij toentertijd in Den Haag als magazijnbediende werkte, werd in augustus 1921 als voorzitter gekozen van de Vakgroep Winkel- en Magazijnbedienden (aldus ‘Onze strijd’, het orgaan van den Algemeenen Nederlandschen Bond van Handels- en Kantoorbedienden).

Dat Cornelia Nicolette (Coks) Sturkop zo bedreven was in het schoonspringen was bekend, maar ook haar tweelingzus Anna Stephanie (Ans) Sturkop (1910-1994) deed in haar jonge jaren aan zwemsport. In januari deed mee zij tijdens het Winterzwemfeest van de H.D.Z. (Hollandsche Dames Zwemclub in het Zuiderbad te Amsterdam en zwom de 25 meter vrije slag voor nieuwelingen, in 18 3/5 seconde (aldus: ‘De Zwemkroniek’).

Ans werd zoals bekend lerares lichamelijke opvoeding. Dat zal de reden zijn dat zij in december 1919 toetrad als lid van haar beroepsvereniging (aldus: ‘De Lichamelijke Opvoeding’, het orgaan van de Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers (L. en M.O.) in Nederland en hare afdeelingen). In april 1933 kon men bij haar aan de Willemsparkweg 25 kaartjes kopen voor het tweede lustrum der N.I.L.O.-club, aldus hetzelfde blad.

Van Cornelia Nicolette (Coks) Sturkop (1910-1928) was bekend dat zij was geselecteerd voor het schoonspringen van de Olympische Spelen 1928. Van haar zijn in de periode van 1926 (toen was zij vijftien jaar) tot 1930 berichten over haar behaalde plaatsen bij wedstrijden, soms met vermelding van de sprongen die zij maakte. Deze meldingen vullen de al bestaande grote verzameling aan (aldus: ‘De Zwemkroniek’).

Het boek over dr. Stephan Sturkop (1882-1953) behandelt alle onderwerpen waarover in deze nieuwe vrijgave wordt bericht en voegen dus nauwelijks iets daaraan toe. (Voor de goede orde: in dat boek wordt beschreven dat de berichtgeving vanuit de socialistische en vooral uit de communistische hoek tendentieus was.) Er is een ingezonden stuk met een klacht (juni 1920) over de ziekteverzekering, met als voorbeeld dr. Stürkop, ‘die in staat is elke waarachtig zieke voor simulant aan te kijken en alzo te behandelen’. Ondertekend door ‘Een van de voorkomende simulanten’. Een ander artikel (1924) meldt: ‘Minder goed is een andere kerel van stavast er afgekomen [] de klacht over dr. Sturkop, die als controlerend geneesheer van het postpersoneel er in slaagde om doden, die veinsden nog levend te zijn, weer naar het werk – niet aan het werk – te jagen.’ (aldus: ‘Grafisch weekblad’). Ook is er een lang artikel (1932) over de Bierbrouwerij ‘De Amstel’, waar dr. Stürkop als controlerend geneesheer ‘inging tegen een briefkaart van de huisarts, waarin stond dat zijn patiënt niet bij de controlerend geneesheer hoefde te komen. Nadat de arbeider hersteld was meldde hij zich bij dr. Sturkop om aan het werk te gaan. Toch hield de werkgever enkele uren van ’s mans loon in.’ (aldus: ‘De fabrieksarbeider’). De overige berichten waren al uit andere bronnen bekend.

Verreweg de meeste hits betreffen Nicolaas Robbert (Nico) Sturkop (1888-1972), jongere broer van de bovengenoemde Stephan en oom van Stephans dochters Ans en Coks). Alleen al van hem zijn er meer dan veertig hits. Zijn carrière als schoonspringer en elders in de zwemsport van Nederland en Nederlands Oost-Indië is in de boeken uitvoering belicht, maar de nu uitgekomen artikelen voegen nog tamelijk veel toe.

Ook kwamen tot nu toe onbekende foto’s aan het licht, alle genomen in Soerabaja:

Het lijkt er sterk op dat het schoonspringen deels zijn oorsprong vond in het turnen: (1913) Nico Sturkop was een turner, die als beste waterspringer wordt genoemd. Men stelt dat ‘deze schone sport bijna uitsluitend door turners in praktijk kan worden gebracht’. Regelmatig worden zijn successen toegelicht in turnkringen, zoals wanneer hij wordt genoemd als Nederlands kampioen in een internationale wedstrijd. Men trekt de vergelijking met het gelidsturnen aan de toestellen. ‘Wordt nog steeds niet geëvenaard in zijn verrichtingen in een sierlijke lichaamshouding.’ In de loop der jaren volgen de turners vaker zijn verrichtingen, getuige de volgende citaten: ‘Onze reeds jarenlange kampioen van Nederland, de heer Stürkop, heeft door deze eigenschappen veel voor op zijn, in het algemeen lichter in gewicht zijnde tegenstanders. Zijn lichaam zweeft na elke afsprong steeds prachtig omhoog, om daarna het overige gedeelte van de sprong uit te voeren, wat meestal uitstekend en zonder de minste foutieve houding gelukt. Zijn sprongen zijn altijd zeldzaam mooi, zijn springen is werkelijk ‘”schoonspringen’’’; ‘ ‘Bijna allen zijn turners van “Plato”, behalve de heer Sturkop lid van de zwemclub “De Jonge Kampioen”, uitstekend geoefend en prachtig springer’; ‘Ik werd ontvangen met een 1½ salto van Nico Sturkop. Voor de sprongen van de grote kampioen neem ik nog altijd diep mij hoed af; met medewerking van zo’n springer moet een zwemfeest altijd slagen.’ En: ‘met Sturkop aan het hoofd als de beste springer uit Nederland, die reeds 15 jaar het springen beoefend heeft.’ Dit laatste toont dat Nico als rond de eeuwwisseling het turnen verruilde voor het schoonspringen (aldus: ‘Turnblad’).
Het volgende komt uit nummers van ‘De Zwemkroniek’:
Er zijn weer veel verslagen en uitkomsten van wedstrijden schoonspringen, waarbij Nico de hoofdprijs behaalde en/of demonstraties gaf. Vanaf rond 1916 deed hij kennelijk niet meer mee aan wedstrijden (hij was al een eindje in de dertig). Hij werd nog vaak ten voorbeeld gesteld: ‘Zie daarvoor onze vriend Sturkop! die na elke afsprong prachtig omhoog zweeft [] Deze vaardigheid heeft hij echter pas na jarenlange oefening verkregen en nog steeds moet dit onderhouden worden, om er niet uit te raken.’ Demonstraties werden ook regelmatig buiten Amsterdam gegeven en na zijn vertrek naar Java in Nederlands Oost-Indië. Nico was vanaf 1914 ook scheidsrechter bij waterpolowedstrijden en floot soms wekelijks voor de eerste, tweede en derde klasse van de nationale competitie. We wisten al dat hij eerder zelf aan deze sport had meegedaan. In 1915 werd hij lid van de waterpolocommissie van de Nederlandsche Zwembond. Verder was hij jurylid bij het schoonspringen. Al deze bezigheden verrichtte hij ook na zijn vertrek naar Indië. In dat land gaf hij eveneens les aan scheidsrechters.
Een voorbeeld van zijn schrijfstijl, niet eens zo ouderwets, in een ingezonden stuk van zijn hand: ‘Tot mijn grote verwondering las ik in de ‘Zwemkroniek’ dat de zwemvereniging ‘Het Y’ de voor de wedstrijd vastgestelde verplichte sprongen is gaan wijzigen, gelet op de bezwaren die door de schoonspringer ingebracht. Ik kan mijn niet voorstellen welke bezwaren door springers kunnen worden ingebracht, wanneer de sprongen uitgeschreven zijn volgens de door de Nederlandsche Zwembond vastgestelde springtabel. Wat zal het Y-bestuur nu doen, wanneer tegen de thans verplicht gestelde sprongen ook weer eens bezwaren worden ingebracht? Ik vind het dan ook wel bijzonder vriendelijk, dat een vereniging voor enige deelnemers het programma wil wijzigen.’
In het boek was al verteld dat Nico zich op Java inzette Nico in als organisator van de zwemsport. Net zoals zijn oudere broer spat zijn inzet als bestuurder en motor ervan af.
In december 1928 hield het blad een interview met Nico, die op verlof was in Nederland. We krijgen een inkijkje in zijn kamer en in zijn persoon: ‘Zodra we hoorden, dat de ongeslagen oud-kampioen schoonspringer Nico Sturkop weer uit Indië in ons land was teruggekeerd, hebben we hem dadelijk eens opgezocht. Als je zo bij hem thuis komt, in zijn gezellige werkkamer, zou je niet zeggen, dat hij al acht jaar weg geweest is. Hij ziet er uit als Hollands welvaren, helemaal niet bruin getint, nog even dik als vroeger, kortom alsof hij nooit naar de Nederlandse overzeese bezittingen was geweest. Zijn bureau ligt vol snuisterijen en nuttige voorwerpen welke alle zonder onderscheid een stukje zwemsportgeschiedenis vertegenwoordigen. Tot zelfs een paar flinke zilveren bekers toe. De muurwanden waren “behangen” met vele gelijste foto’s, alsmede een lijst met medailles, waarop er meer dan 50 achter glas pronkten en getuigden van een druk zwemmersleven. En hoe gaat het met de zwemsport in Indië, zo vroegen we? Daarboven staat de Nederlandsch-Indische Zwembond. Volgens de heer Sturkop zou deze bond voor Indië moeten zijn was de F.I.N.A. is voor Europa. Wanneer er door een zwemmer een Indisch record gemaakt wordt bij een van deze bonden, dan zal de N.I.Z.B. dat natuurlijk ook homologeren. Hoe gaat het met de polocompetities? Kon dat maar. Als je een wedstrijd moet spelen tegen een club die zo ver weg is las van Amsterdam naar Marseille, dan komt er van een polocompetitie niet veel terecht. Jullie Hollanders hebt geen flauw idee hoe groot Indië is’. Dat de afstanden werkelijk een hindernis vormden blijft wel uit een bericht uit 1934. In een oproep aan oud-Indische zwemsporters voor een herdenkingswedstrijd ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Nederlands-Indische Zwembond mijmert men: ‘Wie uwer denkt niet terug aam de tijd, dat wij voor één polomatch 28 uur in de trein zaten’. Ondertekend door het bestuur van Nederlands-Indische Zwembond, onder wie N. Sturkop te Soerabaja.
Er word veelvuldig gemeld dat Nico zich stevig inzette voor organisatie van de zwemsport in Indië. Maar in 1935 trad hij af als president van de Oost-Java Zwembond. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot erelid van de Nederlands-Indische Zwembondmede, mede vanwege zijn grote inzet voor de promotie en het faciliteren voor het grote publiek van de zwemsport.
Tot slot: wanneer je als schoonspringer kampioen van Indië werd, dan kon je de Sturkop-wisselbeker winnen.

Deportaties

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden meerdere naamgenoten, al dan niet met hun partners en/of gezinnen, weggevoerd naar de vernietigingskampen, veelal na een verblijf in Westerbork of Vught. In het Bevolkingsregister – tot nu toe alleen onderzocht in dat van Amsterdam – werd daarvan aantekening gemaakt. Een enkele maal meldde de gedeporteerde zelf, voor zijn gedwongen vertrek, zijn of haar ‘verhuizing’ Lees “Deportaties” verder

Genealogische aanvullingen – Weekblad ANDB

Nieuwsitem d.d. 7 juli 2017: Op www.delpher.nl staat een nieuwe oogst aan gedigitaliseerde media, nu van tijdschriften, waaronder het Weekblad van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond. De edities van dat weekblad had ik in 2016 al doorgenomen bij het IISG in Amsterdam, maar het doorzoeken van microfilm aldaar was een omvangrijk werk en veel vermeldingen had ik gemist. Lees “Genealogische aanvullingen – Weekblad ANDB” verder

Genealogische aanvullingen

Verkorte versie genealogie Sturkop.

Nieuwsitem d.d. 24 april 2016: Van de driedelige genealogie Sturkop & Sturhoofd is een verkorte versie uitgegeven, verkrijgbaar via www.lulu.nl. Deze versie – 100 pagina’s – beperkt zich tot de rechtstreekse voorouders van (de vader van) de schrijver, een zogeheten stamreeks. In principe dus alleen van belang voor de naaste verwanten. De archieven blijven nieuwe informatie rondstrooien. Lees “Genealogische aanvullingen” verder

Sturkop, Alexander – Lotgevallen WO-II

Nieuwsitem d.d. 1 april 2014: Van Alexander Sturkop (betreft Deel III – hoofdstuk 33) was al bekend dat hij na de bevrijding van Bergen-Belsen, nog in de laatste meidagen, bezweek. We vermoedden dat hij met hetzelfde transport als Anne Frank vanuit Auschwitz naar Bergen-Belsen was getransporteerd, maar dat ligt heel wat complexer. Nu zijn ook de gegevens uit de Duitse concentratiekampen beschikbaar: Lees “Sturkop, Alexander – Lotgevallen WO-II” verder