Zo (groot)vader zo (klein)zoon

Altijd gedacht dat wij een vredelievend geslacht waren. Maar dan die vonnissen!

Mijn overgrootvader Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 26) verschijnt in november 1878 niet ter rechtszitting, maar wordt veroordeeld (verzachtende omstandigheden) tot een geldboete van 25 gulden c.q. een gevangenisstraf van 5 dagen. Hij had in de kantine van diamantslijperij Citroen aan de Jodenbreestraat moedwillig aan Salomon Asser Cohen met de vuist enige slagen in het aangezicht toegebracht. De klager was portier bij dit bedrijf en verklaarde onder ede dat hij geen aanleiding had gegeven tot die vuistslagen. Gelukkig had hij er geen ernstig letsel aan overgehouden, vandaar die verzachtende omstandigheden.
Afgezien van de losse handjes weten we gelijk bij wie hij werkte. Overigens noemde hij zich zowel Jacobus als Kobus, dus het laat zich aanzien waar ik mijn voornaam aan ontleen. Overigens in een lange rij tot in de achttiende eeuw.

Maar zijn vader kon er ook wat van: hij wordt ruim drie jaar eerder eveneens veroordeeld wegen het uitdelen van klappen. De politie was eraan te pas gekomen. Mozes Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 9) is net als zijn zoon diamantslijper. Op een januarizaterdag wandelde hij in de Weesperstraat en daar werd aan een zekere Salomon van Jacob de Leon moedwillig met de vuist een slag tegen de linkerwang toegebracht, waardoor laatstgenoemde hevig uit de mond gebloed had. Volgens de klager gebeurde dit na een meningsverschil tussen hen. Een getuige bevestigde dit onder ede. Gezien de minder ernstige gevolgen gaf dit aanleiding tot verzachtende omstandigheden. Betoveropa werd veroordeeld tot 15 gulden geldboete, indien niet op tijd betaald vervangend een gevangenisstraf van 4 dagen.

Maar ook diens vader liet van zich horen. Tegen Koopman Alexander Sturkop (Deel I – hoofdstuk 20) werd in augustus 1855 de klacht ingediend dat hij ‘ter beurze alhier’ aan een menigte aldaar verzamelde Israëlieten zou hebben toegevoegd dat zij geen vlees meer moesten kopen bij de klager, omdat deze daags tevoren onrein vlees (aan de kerkelijke wet niet voldaan) als rein aan Israëlieten had verkocht, hetgeen zijn niet mochten eten. Onze voorouder kwam er beter vanaf dan zijn zoon en zijn kleinzoon: ‘hetgeen noch wettig noch overtuigend bewezen was’. De beklaagde werd vrijgesproken.

Genealogische aanvullingen

Nieuwsitem d.d. 24 juni 2017: De gemeente Amsterdam klaagde in 1849 onder anderen Koopman Alexander Sturkop (betreft Deel I – hoofdstuk 20) en zijn zwager Levie Mozes de Hond aan, omdat zij niet het onderhoud van de wallenkanten voor hun bedrijven op zich namen. Het kantongerecht veroordeelde hen, maar in februari 1850 verwierp de Hoge Raad dat vonnis. Lees “Genealogische aanvullingen” verder