Oogst www.delpher.nl februari 2020

Iedere keer dat de website www.delpher.nl een nieuwe oogst aan kranten, tijdschriften en boeken publiceert levert dat wel weer extra informatie op over naamgenoten. Deze maal boeken.

In 1941 was dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22) nog vicevoorzitter van de H.L.O.) Vereniging Harmonische Lichaamsontwikkeling), maar hij trad af als secretaris. Het is niet ondenkbaar dat dit ten gevolge van de oorlog was. Hij had afstand moeten doen van de uitoefening van zijn beroep als huisarts of dat lag tenminste in het nabije verschiet. Daarnaast moest alle kapitaal worden ingeleverd en was het nodig dat hij op andere wijze iets ging bijverdienen, zoals vertaalwerk. ‘Dr. Sturkop gaf als nadrukkelijke wens te kennen het secretariaat neer te leggen. Zijn opvolger dankt hem voor het vele en belangrijke werk dat hij heeft gedaan als secretaris vanaf de oprichting van de vereniging “Onvermoeid heeft hij als secretaris gearbeid. Door zijn woord heeft hij velen opgewekt de proeven van de H.L.O. af te leggen en aan zijn doortastend streven is het te danken dat in een groot aantal gemeenten werkcomités werden opgericht. Al hebben wij dr. Sturkop als secretaris verloren, de vereniging mag het als gelukkig prijzen hem als vicevoorzitter te hebben mogen behouden”’.

In 1946 zien we de herbevestiging van de uitgave van het boek ’Geheimzinnig Tibet’, dat door hem uit het Duits was vertaald. Daarnaast wordt een nog niet bij ons bekende vertaling genoemd: ‘Nicolaas Copernicus die de aarde liet draaien’ door W.E. Peuckert, vertaald uit het Duits door dr. S. Sturkop, uiteraard bij de Uitgeverij A.J.C. Strengholt.

Dat hij geen moment in zijn leven kon stilzetten blijkt nog uit een aantal andere activiteiten. (1) Zo neemt hij na de oorlog de honneurs waar, als secretaris der afdeling Amsterdam van het Rode Kruis, bij de oprichting van een U.V.V. bibliotheek (voor militairen). Hij zou Stephan Sturkop niet zijn als hij geen welgemeende raad meegaf: hij roept op de boeken zorgvuldig te behandelen. ‘Persoonlijk deed het hem steeds pijnlijk aan, een nieuw boek door onvoorzichtige handen mishandeld te zien’. (2) Ook neem hij deel als lid bij de oprichting van de Keuringsraad Aanprijzing Geneesmiddelen en Geneeswijzen. (3) En ook in 1949 wordt hij lid van de ‘commissie met taak een oplossing te zoeken voor problemen, die zich t.a.v. de verloskundige hulp voordoen’. Hij neemt ook zitting in de werkcommissie.

Ans Reinders-Sturkop (Deel III – hoofdstuk 36) is in 1949 bestuurslid van de Nederlandse Dames Cricket Bond.

Nog vele jaren nadat hij stopte als schoonspringer wordt Nico Sturkop (Deel III – hoofdstuk 25) in meerdere sportbladen gememoreerd. Zo schrijft de ‘Zwemkroniek’ in 1942: ‘vanaf 1901 was er als een “waterspringclub”, die aan de Heiligeweg oefende, met o.a. wijlen de heer Bredius. Pas na deze periode werd het springen meer in geregelde banen geleid, waarbij wij veel te danken hebben aan onze eerste kampioen, N. Sturkop. [] Onafscheidelijk verbonden aan Jac. Van Es. Was specialist in het uitvoeren van komische sprongen. Na een wedstrijd of demonstratie vertoonden zij altijd het volgende nummer. Van Es ging op de schouders van Sturkop staan, zo wandelden zij naar het einde van de plank, waarna zij zich met keurig gestrekte lichamen voorover in het water lieten vallen, waarbij Van Es onderweg een model saluut aan het publiek bracht. Jarenlang hadden zij dit monopolie. Samen beoefenden zij gymnastische en komische toeren, die alle nauw verband hielden met schoonspringen: zo gingen zij bijv. aan elkaars handen hangen, waarna Van Es na een paar flinke zwaaien met een keurige salto in het water terecht kwam.’ We zien opnieuw het ontstaan van het schoonspringen, waaraan Nico Sturkop mede gestalte gaf. De heer Bredius is nauw verwant aan mijn grootmoeder, over wie ik een apart boek schreef (zie notitie d.d. 4-10-2019). Willem Elias Bredius was, naast zijn maatschappelijke kwaliteiten, jarenlang secretaris en later voorzitter van de Nederlandse Zwembond.

Daarnaast bood www.delpher.nl via nationale telefoongidsen bevestiging resp. nader inzicht in de adressen van Stephan Sturkop, Hanna Sturkop-Roeg, Alexander Sturhoofd en zijn firma Sturhoofd & Co. (betreft Deel III – hoofdstuk 27).

Maurits Nijkerk & Zonen.

Maurits Nijkerk (Mozes Barend Benjamin Nieuwkerk) was de oudste kleinzoon van Mozes Barend Nieuwkerk en Duifje Koopman Sturkop. Hij werd in Amsterdam geboren op 15 juli 1877, als zoon van Benjamin Nieuwkerk en Bluma Flora Kleinmann. Zijn plaats in de genealogie van het geslacht Nieuwkerk is opgenomen in www.sturkop.nl\genealogie. Zijn plaats in de onderneming die bekend stond als de IJzerdynastie B.J. Nijkerk N.V. wordt duidelijk uit onderstaand schema.


Net zoals vele naamgenoten noemde hij zich Nijkerk, maar hij liet zijn naam nooit officieel veranderen. Anders dan zijn naaste verwanten nam hij geen deel in de onderneming. In zijn jonge jaren, toen hij nog bij zijn ouders woonde, stond hij te boek als kantoorbediende, wellicht toentertijd voor korte tijd bij het familiebedrijf. Zijn twee broers (en later zijn drie zoons) brachten, samen met hun neef Marinus (Bob) Nijkerk, het toch al welvarende slopers- en metaalconcern tot grote hoogte. Maurits’ grootvader Mozes Barend Nijkerk behoorde in 1886 al tot de hoogst door de directe belastingen aangeslagen inwoners van de provincie Noord-Holland.

Hij woonde tot februari 1905 bij zijn ouders, achtereenvolgens aan de Plantage Kerklaan, de Nieuwe Keizersgracht en in een benedenwoning aan de Sarphatistraat. Maurits trad op 14 februari 1905 in het huwelijk met Judith Sara de Vries, die luisterde naar de roepnaam Juliette. De inzegeningen vonden op dezelfde dag plaats; zowel de choppe in de Nieuwe Synagoge en het burgerlijk huwelijk in het Stadhuis. Maurits Nijkerk was geen kleine man voor zijn tijd: 1,80 meter lang. Hij had bruine ogen en donkerblond haar.

Maurits was toen 27 jaar en had, samen met een zakenpartner, voordien al het importbedrijf in tabak M.B. Nijkerk & Co. opgericht. In de jaren tot en met 1907 zien wij melding van import vanuit Indië. Het echtpaar ging aan de Stadhouderskade 88 wonen, alwaar hun drie zonen ter wereld kwamen. Deze handel in tabak was van tamelijk korte duur.
De samenwerking tussen Mozes Barend Benjamin Nijkerk en Gustave Stokvis en de firmanaam werden officieel middels akte bekrachtigd op 10 mei 1906 . Maar op 31 december 1906 was de vennootschap alweer ontbonden, waarbij de heer Stokvis de naam mocht blijven voeren.

Desondanks zien we vervolgens dezelfde naam M.B. Nijkerk & Co. onder auspiciën van Maurits Nijkerk terug als handel in granen, nog steeds gevestigd aan de Oudezijds Voorburgwal. Van 1905 tot 1916 hield men kantoor op de nummers 322-324; daarna was het bedrijf te vinden op nummer 290, bekend als De Brakke Grond. Misschien had Gustave Stokvis de zaak toch niet onder die firmanaam voortgezet, want niet veel later verbleef hij onder andere in de Verenigde Staten en keerde niet terug naar Amsterdam.

M.B. Nijkerk & Co., werd in 1921 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, als voortzetting van de bestaande firma, een agentuur en commissiehandel in buitenlands graan, oliezaden, kopra, enzovoort. Het jaar van vestiging was 1920; er waren huwelijkse voorwaarden van kracht. Er waren nogal wat mutaties, zoals het ontslag van een procuratiehouder en uittreding van oude en intrede van nieuwe mede-eigenaren: naast Maurits Nijkerk zelf waren er ook andere eigenaren van de vennootschap. Ook de ondernemingsvorm werd tussentijds aangepast. In Rotterdam was een filiaal aan de Gedempte Binnenrotte, onder de naam M.B. Nykerk & Co., maar dat werd al in 1922 opgeheven. In 1928 trad de laatste andere eigenaar uit en zette Nijkerk de zaak alleen voort. De ondernemingsvorm werd dan: nu graancommissiezaken en voor eigen rekening. Vroeg in 1931 werd de firma opgeheven. Maar toen Maurits Nijkerk in 1941 overleed stond hij nog te boek als ‘meelagent.’

Halverwege 1913 was het gezin verhuisd naar een bovenwoning aan de Nicolaas Witsenkade 12 bovenhuis, waar zij tot begin 1922 bleven. Vanaf februari 1922 woonden zij aan de Jan Luykenstraat 72, in het benedenhuis.

In 1923 bracht Maurits Nijkerk in een advertentie, als lid van een comité, kiesadvies uit ten gunste van een zekere A. Asscher van de Vrijzinnig Democratische Bond. Dit betreft Abraham Asscher, in de oorlogsjaren een der voorzitters van de Joodsche Raad. De heren zouden nog veel samenwerken. In datzelfde jaar bracht ook Maurits’ achterneef dr. Stephan Sturkop het advies uit om op de Vrijzinnig Democraten te stemmen.
In 5 december 1924 werd Nijkerk geïnstalleerd als lid van het kerkbestuur der Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, waartoe hij met bijna algemene stemmen werd benoemd. ‘Door familietraditie aan de Joodse gemeente verbonden’, zo schreef men over hem. Hij werd door een medelid ‘schertsenderwijze’ de ‘baby’ van het kerkbestuur genoemd. Bij de installatie werd gememoreerd, ‘zinspelend op de eigenlijke naam bij de Burgerlijke Stand (Nieuwkerk), dat dit het gelukkig voorteken werd geacht dat bij de bouw van nieuwe kerkgebouwen, de heer Nijkerk zijn intrede deed in het kerkbestuur.’ In de loop der jaren verrichte Maurits Nijkerk vele openbare taken namens het kerkbestuur. Zo had hij in 1927 zitting in een commissie onder gezag van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge over verbouwing van rituele vleeshallen (in de Nieuwe Kerk en in de Amstelstraat) in verband met de vleeskeuringswet. Een vergadering over dat onderwerp stond onder zijn presidium. In 1929 was hij nog steeds lid van de bouwcommissie bij de verbouwing van die vleeshallen.

In datzelfde jaar werd hij voorzitter van de ‘Vereniging tot oprichting en instandhouding ener Nijverheidsschool in de buurt Uilenburg’.

Voor zijn werk als voorzitter van deze vereniging werd M.B.B. Nijkerk bij Koninklijk besluit van 4 maart 1933 onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Maurits Nijkerk hield een aantal toespraken, zoals in september 1930 in het kader van de nijverheidsschool, waarbij de vereniging Beis Jisroeil (het ‘Joods Ons Huis’, dat zich richtte op ‘ontwikkelings-, opvoedings- en beschavingsarbeid’) ter sprake kwam (over zichzelf sprekende in de derde persoon enkelvoud): ‘Men zou kunnen denken dat zijn gevoelens uit egoïsme voortspruiten, dat hij blij is Beis Jisroeil kwijt te zijn. Dit gevoel is hem echter geheel vreemd. Toen 10 jaar geleden de noodzakelijkheid van het werk van Beis nog niet zo werd ingezien en men er nog enigermate schroomvallig tegenover stond, hebben [] begrepen dat de Vereniging in een behoefte zou voorzien. De bevolking der school toch komt uit een milieu waarvoor morele opvoeding nodig was. de school draagt een ongelukkige naam. Nog ongelukkiger is het, dat deze naam op de kinderen van toepassing is. Reeds lang was door de schoolcommissie de noodzakelijkheid ingezien, om de kinderen bij het verlaten der school iets mee te geven. Gaarne heeft zij dan ook aan het verzoek van Beis, om van de lokalen der school gebruik te mogen maken, gevolg gegeven. Spijt heeft men er nooit van gehad, te minder, toen men zag, dat het werk vooruitgang en resultaten had. Kwesties zijn er nooit geweest. Spreker hoopt dat in het nieuwe gebouw het werk der vereniging dezelfde groei als in de afgelopen jaren zal komen’.

In de maand daarop, op 24 oktober 1930, overleed Juliette Nijkerk-de Vries. Maurits’ echtgenote werd na haar dood herinnerd in het Centraal Blad voor Israëlieten: ‘Zij was de waardige gade van het lid van het Kerkbestuur, de heer M.B. Nijkerk. Ze was een aantal jaren regentes van het N.I. Meisjesweeshuis en ze werd geroemd om haar eenvoud, vriendelijkheid en de liefdevolle wijze in die taak’. Er was zeer grote belangstelling bij haar begrafenis op Muiderberg. Enkelen hielden toespraken, onder wie mr. dr. M.I. Prins. (Diens naam geeft hits op internet, o.a. als jurist, opperrabbijn, lid van de Joodsche Raad.) Judith de Vries werd 55 jaar. Duidelijk is dat zij evenmin als haar echtgenoot stil heeft gezeten.

In mei 1933 werd Maurits Nijkerk secretaris van een ‘Economische Commissie voor het verlenen van commercieel en juridisch advies, in industriële en handszaken voor Joden in Nederland’. De correspondentie kon aan zijn adres in de Jan Luykenstraat worden gericht. In de jaren nadien ziet men hem vaak optreden namens het kerkbestuur van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge. In 1936 traden enkele leden (herkiesbaar) af als lid van de Centrale Commissie tot de Algemene Zaken het Nederlands-Israëlitische kerkgenootschap. Behalve M.B. Nijkerk zien we onder andere bekende namen ook A. Asscher en prof dr. D. Cohen, bieden de latere voorzitters van de Joodse Raad.
Toen de nieuwe synagoge in de Lekstraat in oktober 1936 aanbouw was legden leden van het kerkbestuur en van de commissie voor de bouw een gedenksteen annex hoeksteen. Het kerkbestuur met haar rabbijnen en penningmeesters waren daarbij aanwezig. De steen werd mede gelegd door o.a. Abraham Asscher, voorzitter van de Kerkenraad.

Er zijn meldingen van activiteiten naast Maurits’ kerkelijke taken, zoals zijn toelating in 1937 als gewoon lid van het Genootschap Amstelodamum. In dat jaar was hij ook secretaris van het hoofdbestuur van de Vereniging tot steun van het Nederlands-Israëlitische seminarium. In mei 1937 fungeert hij gedurende het lopende jaar als voorzitter van het kerkbestuur van de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge. Een maand later blijkt ook dat Maurits Nijkerk voorzitter was van het synagogaal ressort Noord-Holland.

Maurits Nijkerk krijgt op 30 juli 1937 ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag een diner aangeboden, als voorzitter van het Kerkbestuur der N.I.H.S. (Zittend, tweede van rechts.)

Op enig moment, tegen het einde van de jaren dertig, verhuisde Maurits Nijkerk naar de Oranje Nassaulaan, waar hij inwoonde bij een zekere Jacques Bernard Picard, die administrateur was bij de Joodsche Raad. Nijkerk heeft de oorlogsjaren slechts kort beleefd. Op 10 maart 1941 is hij in Amsterdam overleden, 63 jaar oud. Zijn drie zoons plaatsten een overlijdensannonce voor hun vader; Dolf vanuit Amsterdam, de beide anderen vanuit Brussel. Hij was Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij ligt begraven te Muiderberg. Behalve de drie nog ongehuwde zoons plaatsten nog anderen een rouwannonce.

Na zijn dood werd de naam van Maurits Nijkerk verbonden aan de school die voortvloeide uit zijn inspanningen ten behoeve van het nijverheidsonderwijs. In het jaar van zijn overlijden werd ook ‘zijn’ school getroffen door de maatregelen van de Duitser bezetter. Op 29 augustus 1941 werd een wet uitgevaardigd waarin het Joodse leerlingen verboden wordt nog onderwijs te ontvangen aan openbare onderwijsinstellingen. ‘De Joodse voorzitter van het schoolbestuur van de Derde Ambachtsschool aan het Timorplein. M.B. Nijkerk, neemt zelf ontslag, tot spijt van de Maatschappij. Weliswaar stelt Nijkerk voor in de Timorpleinschool een aparte Joodse schoolruimte in te richten, maar het Maatschappijbestuur aarzelt op haar vergadering van 3 september 1941 hier op in te gaan en wil wachten op een initiatief van de Joodsche Raad. Er komt niet een antwoord zoals de Maatschappij dat hoopt of wenst. Alle leerlingen van de Timorpleinschool moeten op 31 september 1941 langs de conciërge defileren, die alle leerlingen stuk voor stuk vraagt of ze Joods zijn. Als men deze vraag bevestigend beantwoordt, volgt de mededeling dat men de volgende dag niet meer hoeft terug te komen. De 103 Joodse kinderen die dit lot zo onverwacht treft, halen hun spulletjes op uit de diverse lokalen en komen niet meer terug. Inmiddels heeft de Joodsche Raad het vakonderwijs voor Joodse scholieren opgepakt en wordt op 17 december 1941 de M.B. Nijkerkschool geopend aan Rapenburgerstraat 128. Nijkerk zelf is inmiddels overleden; een zoon bedankt voor de eer zijn vader aangedaan. Van de 103 Joodse leerlingen van de Timorpleinschool worden er voor zover bekend in ieder geval 84 om het leven gebracht.’
De M.B. Nijkerkschool (Nijverheidschool van de Joodsche Centrale Beroepsopleiding) werd geopend in aanwezigheid van onder anderen prof. Cohen, voorzitter van de Joodschen Raad. De school verzorgde cursussen en leergangen voor ongeveer 1300 personen. De M.B. Nijkerkschool bestond oorspronkelijk uit ‘losse’ cursussen – meubelmaken, stofferen, behangen etc. ‘De school ontving de naam ter herinnering aan de man, die zoveel voor het Joodse nijverheidsonderwijs voelde en deed. Een zoon van M.B. Nijkerk dankte voor de eer zijn vader aangedaan.’ Wie van de drie zoons dit is geweest werd er niet bij vermeld: Benno en Hugo verbleven toentertijd in België; alleen Dolf woonde nog in Amsterdam. Tot in 1943 verschenen er nog annonces voor de ambachtsschool M.B. Nijkerk in de kranten. Er zijn dan scholen in de Rapenburgerstraat, de Muiderstraat en aan het Westeinde. Er werd in allerlei vakken onderricht gegeven, zoals horlogemaken, fotografie, optiek en vele andere. Opvallend is het dat geïnteresseerden zich moeten aanmelden in de Hemonylaan 27, Maurits’ vroegere adres. Ook zijn zoons woonde daar al niet meer. Op dat adres was de Joodsche Centrale voor Beroepsopleiding gevestigd.

Maurits en Juliette Nijkerk kregen drie kinderen: op 2 oktober 1906 Benjamin Maurits (Benno), op 27 maart 1910 Adolf Maurits (Dolf) en ten slotte op 5 september 1911 Hugo Karel Maurits (Hugo). Zij noemden zich alle drie Nijkerk, maar alleen voor de twee jongsten werd na de oorlog de wettelijke naamsverandering doorgevoerd.
De drie zoons, die allen de Handelsschool hadden voltooid, traden tot het familiebedrijf Nijkerk toe. Hugo werkte in zijn jeugd nog enige tijd bij het graan- en exportbedrijf van zijn vader.

Benno Nijkerk speelde een vooraanstaande rol in het verzet en hielp zo de levens redden van meer dan duizend mensen. Over hem is een eigen artikel aangeboden voor het kwartaalblad Misjpoge.

Dolf Nijkerk was een fervent zionist, die desondanks trouwde met een katholieke vrouw. Hij ontkwam in de oorlog naar Engeland en ging daar in militaire dienst. Daar ontmoette hij in een legermess Margreth Page. Zij was WREN (Women’s Royal Naval Services) bij het vrouwencorps. Vanaf 1945 tot 1975 leidde hij op succesvolle wijze de Wiener & Co. Machinefabriek, de machinetak van het concern Nijkerk. In 1957 verruilde hij Amsterdam voor Bussum. Dolf is ruim 70 jaar geworden. Hij overleed in december 1980.

Hugo Nijkerk nam samen met broer Benno in 1938 de leiding over van de Belgische tak van het concern Nijkerk. In de oorlog zat hij bij de Prinses Irene Brigade. Hij zat op een brengun carrier en deed mee aan de bevrijding van Brussel. Daarna stootte zijn onderdeel door naar het oosten. Toen zij te ver voor de troepen uit reden werden zij in brand geschoten. Hugo werd met moeite Hugo bevrijd, maar de hitte had zijn ogen verwoest. Uiteindelijk volgde Hugo Nijkerk zijn Marinus (Bob Nijkerk) definitief op in Brussel. Zijn broer Benno was immers in de oorlog omgekomen. Daarnaast was hij ook vennoot van B.J. Nijkerk in Nederland en vennoot van Wiener & Co. Na 1945 had Hugo Nijkerk grote moeite om de in moeilijkheden verkerende firma B.J. Nijkerk weer op de rails te zetten, want alles was verwoest en de kas was leeggeroofd. Hugo Nijkerk is jarenlang voorzitter geweest van de Nederlandse Schrootvereniging en ook vier jaar president van de Wereld Recycling Organisatie, waarin 52 landen waren vertegenwoordigd. Het Bureau of International Recycling werd in 1948 opgericht in het Amstelhotel tijdens de receptie van B.J. Nijkerk N.V., op de dag dat de firma 125 jaar bestond. Op 15 november 1969 is Hugo Nijkerk in Brussel gestorven, in de ouderdom van 58 jaar. Hij was Ridder in de Kroonorder van België. De Federatie van Verenigingen van Handelaren in Oude Materialen en Afvalstoffen berichtte: ‘Zijn persoon, zijn visie en zijn voortreffelijk beleid, gepaard aan beminnelijkheid, hebben zeer belangrijk bijgedragen tot de ontwikkeling van het organisatieleven in onze branche. Op de door hem gelegde basis zullen wij voortbouwen’ en anderen voegden daaraan toe: ‘Zijn wijs en menselijk oordeel zullen wij node missen’. Hugo Nijkerk was getrouwd met Kobi von Scholtz. Zij was Vietnamese van geboorte en als meisje geadopteerd door Baron Von Scholz. Ook zij speelde een stevige rol in de onderneming.

Over deze familie Nijkerk en hun professionele leven staat meer vermeld op www.sturkop.nl\genealogie.

 

 

Maya van Horn – Actrice

Alweer een loot aan de uitgebreide artistieke tak van de grote negentiende-eeuwse entertainer Nathan Judels: Maya van Horn. Haar echte naam was Rosa Menagé Challa. Ze werd op 26 december 1896 in Amsterdam geboren als dochter van de Amsterdamse deurwaarder Theo Menagé Challa en Rozette Judels. Een gemengd huwelijk: Theo was van huis uit Nederlands Hervormd; Rozette Joods. Maar bij beiden stond in het Bevolkingsregister: ‘geen geloof’.

Eerst een terugblik. Maurits Judels (Rosa’s grootvader), de jongste kleinzoon van Nathan Judels, had succes als stage manager van het Metropolitan Opera House in New York. Zijn drie zonen kwamen al eerder aan bod: Nico, Jules en Charles verdienden hun sporen aan het toneel en in films in Amerika. Over zijn dochters is minder gesproken, maar zij kwamen, zoals dat heet, goed terecht. De oudste, Annie Julia Judels, trouwde eerst met de effectenhandelaar David Cohen de Boer en – na hun scheiding – met Willem (Marie Willem Frederik) Treub, econoom en Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel en later Minister van Financiën. De jongste dochter, Adèle Judels, trad in Amerika in het huwelijk met de architect Albert Buchman, die vele bezienswaardigheden in New York heeft nagelaten. De middelste dochter, de bovengenoemde Rozette Judels, was de moeder van een zoon, die al jong naar Amerika emigreerde en drie dochters, onder wie Rosa Menagé Challa.

 

Rosa en haar zus Annie Menagé Challa. Door de Oostenrijkse schilder Dario Rappaport. Rond 1921.

 

Rosa was de enige van de drie zussen die actrice werd. Haar oudere zus Elizabeth bleef na een kort huwelijk vrijgezel en bleef tot op gevorderde leeftijd in de woning van haar ouders wonen, aan de Weteringschans. De jongste zus, Annie Julia, trouwde met een onderwijzer in Den Haag.

Rosa zal naast haar talent zijn geïnspireerd door haar ooms in Amerika. Rosa – ook wel Roosje – stond al jong op de planken. Veel van haar optredens is niet bewaard gebleven resp. uitgezocht. Rond 1914 maakte zij deel uit van het Hollandsch Tooneel, waar zij met indertijd bekende acteurs speelde. Er is zelfs een uiterst kort fragment van haar in een stomme film op internet te zien. En er zijn enkele foto’s van haar op toneel.

Rosa is nogal veel op reis geweest. Zij trouwde in juni 1922 te Kopenhagen met de Deen Kaj Horn Lassen, maar hun scheiding volgde drie jaar later. In augustus 1934 was zij terug bij haar ouders aan de Weteringschans. Ze kwam uit Berlijn, waar zij te eniger tijd na haar vertrek uit Kopenhagen moet zijn gaan wonen. In december van dat jaar vertrok zij alweer naar de Duitse hoofdstad. Men kan denken aan een langdurig artistiek werkverband in die stad. In juli 1937 trekt zij weer even in bij haar ouders, om in september alweer te vertrekken, ditmaal naar Brussel. Twee jaar later komt zij weer terug aan de Weteringschans en vertrekt in maart 1938 naar Capri. Dit kan te maken hebben gehad met haar beroep. Ze moet vandaaruit al snel opnieuw naar Berlijn zijn verhuisd, want vanuit die stad keert zij in november 1938 terug naar haar ouderlijk huis. Heel kort, want Rosa vertrekt voorgoed naar Amerika; zij wordt in Amsterdam uitgeschreven naar New York. Haar oom Jules Judels is dan nog altijd stage manager van het Metropolitan Opera House, een job die hij tientallen jaren eerder overnam van zijn vader. Oom Charles zou nog lang in leven blijven.

Vele jaren later zal zij verklaren dat haar vertrek een weloverwogen besluit was geweest. Ze had al jaren in Nederland op het toneel gestaan, o.a. met Louis Bouwmeester. ‘Dat was misschien wel de mooiste tijd van mijn leven. Toch bleef altijd een verlangen om vreemde landen te zien en vooral Amerika.’ Ze had haar besluit definitief genomen in Berlijn, omdat zij inzag dat het spoedig mis zou gaan in Europa. De naam Bouwmeester komt niet zomaar uit de lucht vallen: de grote acteur maakte heel lang deel uit van het gezelschap van Nathan Judels en was bevriend met meerdere eigentijdse familieleden.

In Amerika heette zij niet langer Rosa Menagé Challa. Ze stond daar – en ook in Nederland – bekend als Maya van Horn. Die naam roept veronderstellingen op: haar ex-echtgenoot heette Horn en haar volle nicht, de ijsdanseres May Judels (dochter van Rosa’s oom Charles Judels) was in New York jarenlang de regisseur van de befaamde ijsrevues van de Olympisch kampioene Sonja Henie. Ook May’s vader, Rosa’s oom, zou nog lang leven. We weten dat Rosa in Hollywood terechtkwam, waar niet alleen Charles Judels in de buurt woonde, maar ook Rosa’s oudere broer Teddy.

Vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog meldde de Amigoe de Curacao dat Maya van Horn (‘een nicht van de vroegere Minister-President Treub’) een contract had getekend met ’20th Century Fox’, om een rol te spelen in de film Dragenwyck. ‘Zij was een bekende actrice in Nederland waar zij met het gezelschap van Louis de Vries optrad. Ook in Amerika trad zij in enkele liefdadigheidsvoorstellingen op. Haar eigenlijke naam is Rosa Menage Challa’.

Willem Treub was weliswaar nooit minister-president, maar bekleedde wel tweemaal het ministerschap. Deze ‘oom’ was trouwens van tamelijk korte duur, want het huwelijk Treub-Judels duurde slechts iets meer dan tien jaar. De vraag doemt even op hoe Annie Julia Judels met hem kennismaakte. Alles in uiteraard mogelijk, maar veel eerder was dr. Stephan Sturkop al nauw bevriend geraakt met zijn mentor Hector Treub, een bekend gynaecoloog en een oudere broer van Willem Treub. Dat Sturkop en Annie Julia Judels nauw aangehuwd waren roept hierbij vermoedens op. Zo stuit je bij iedere vondst op een nieuwe aanwijzing.

In Amerika speelde Maya van Horn in 24 films en tv-series. Lijsten daarvan zijn op internet in te zien. Zij heeft nog een keer Nederland bezocht. De krant doet daarvan in oktober 1957 verslag: ‘Maya van Horn bezoekt Nederland vanuit Hollywood: op Schiphol vond een onstuimige begroeting plaats voor de uitgang: een weerzien tussen twee Hollandse vrouwen en hun in Hollywood wonende zuster’. Zelf vertelde zij dat zij voornamelijk kleine rollen speelde, maar vooral in haar studio jonge talenten opleidde voor een succesvolle carrière. Haar beste vrienden in Hollywood, zo meldde zij zelf, waren de acteur Tyrone Power, met wie zij optrad in ‘Mississippi Gambler’ en het echtpaar Mike Todd-Elisabeth Taylor.

Maya van Horn alias Rosa Menagé Challa lijkt dezer dagen geheel vergeten in Nederland. Wellicht heeft het vroegere Theaterinstituut op dat gebied nog iets te bieden. Zij is op 8 december 1983 in Los Angeles overleden, bijna 87 oud.

Nieuwe oogst Delpher: dr. Stephan Sturkop

De oogst van augustus 2019 van www.delpher.nl leverde weer eens een groot aantal hits op. Naast de al bekende sportfeiten over de tweeling Ans en Coks Sturkop en over dr. Stephan Sturkop (Deel III – hoofdstuk 22) valt over laatstgenoemde toe te voegen:

Dat hij deelnam aan hondententoonstellingen was reeds bekend, maar in juni 1912 wordt hij voorgesteld als lid van de Nederlandsche Vereeniging van Dwergspaniels. In 1918 wordt hij lid van de Kynologen Club Amsterdam. Dit vindt plaats in Café Former aan het Kleine Gartmanplantsoen. (Tezelfdertijd en -plekke wordt een zekere mevrouw S. Gobes, Weteringschans 110, lid van deze Kynologen Club Amsterdam. Zij blijkt Nanny (Marianne) van Buuren te zijn, echtgenote van Stephans achterneef Salomon Gobes, kleinzoon van Marianne Koopman Sturekop (Deel II – hoofdstuk 4). Toeval of gingen zij gewoon met elkaar om?).
In 1919 komt Stephans Prince Charles spaniël ‘Bob’ er bij die club goed vanaf, met onder meer een tweede prijs bij de reuen vanwege: ‘een hoog typische Prince Charles, met prima hoofd, ogen en oren, heeft een prachtige beharing en een zeldzaam mooi gangwerk, maar is helaas wat te groot’. Later in dat jaar krijgt Bob nog een vermelding van de keurmeester.

In verschillende vakbondsbladen komt uiteraard de ‘Kwestie Sturkop’ aan de orde. Ook de Vrijzinnig-Democratische Beweging plaats een lang artikel in haar blad, in 1925, wanneer een ander lid een oproep doet om geen stem uit te brengen bij de a.s. verkiezingen voor de Tweede Kamer, omdat ‘de heer Oud daar de handschoen opnam voor de controlerende geneesheer Stürkop te Amsterdam’. De redactie erkent dat hun de houding van deze geneesheer niet in alle opzichten sympathiek is. [] ‘Maar daar staat tegenover dat toen de heer Stürkop zijn taak aanving, die taak zeker een der moeilijkste was’ [].

Ook zien we wederom de bekende artikelen, nu in andere periodieken, over bijvoorbeeld de tentoonstelling over Drenthe in het Paleis voor Volksvlijt, Stephans benoeming tot secretaris van het comité Tentoonstelling van Zuid-Afrikaanse Producten, zijn deelname in het comité Huldiging Stadion 1937 en zijn inzet voor het H.L.O. De ‘Athletiekwereld’ meldt in 1937 het huwelijk van Stephans dochter Ans met Cor Ruurs, die K.N.A.U.-official blijkt te zijn.

Ten slotte een artikel uit oktober 1939, wanneer de directie van de Spoor- en Tramwegen een zilveren vloeimap krijgt aangeboden door de voorzitter van de Nederlandse vereniging van controlerende geneesheren, dr. Sturkop.

Stephan Sturkop – Hulp aan Franse kinderen

In ‘Journal Officiel’ d.d. 11-7-1919 staat Stephan Sturkop (Zie Deel III – hoofdstuk 22), Nederlander, ‘aide-major’ 1ste klasse in het Nederlandse leger: heeft sinds januari 1918 gratis zijn zorg aan een groep van 50 Franse kinderen gegeven via een Amsterdams comité t.b.v. ziekenhuiswerk; heeft grote toewijding getoond tijdens een anginaepidemie en besmettelijke griep.

Nieuws uit de tijdschriften

In maart 2019 voegde www.delpher.nl een groot aantal oude tijdschriften toe aan haar digitale collectie. De naam Sturkop scoorde 93 hits; Sturhoofd geen enkele. Vele berichten gingen over de zwemsport en over dr. Stephan Sturkop, maar er waren ook enkele andere bij. Een klein aantal kan niet worden via internet worden ingezien. Daarvoor moet men naar de Koninklijke Bibliotheek, omdat ze van te recente datum zijn (na 1939).

Alexander Sturkop (1898-1943), zoon van Isaäc Sturkop en Maria Hont, van wie bekend was dat hij toentertijd in Den Haag als magazijnbediende werkte, werd in augustus 1921 als voorzitter gekozen van de Vakgroep Winkel- en Magazijnbedienden (aldus ‘Onze strijd’, het orgaan van den Algemeenen Nederlandschen Bond van Handels- en Kantoorbedienden).

Dat Cornelia Nicolette (Coks) Sturkop zo bedreven was in het schoonspringen was bekend, maar ook haar tweelingzus Anna Stephanie (Ans) Sturkop (1910-1994) deed in haar jonge jaren aan zwemsport. In januari deed mee zij tijdens het Winterzwemfeest van de H.D.Z. (Hollandsche Dames Zwemclub in het Zuiderbad te Amsterdam en zwom de 25 meter vrije slag voor nieuwelingen, in 18 3/5 seconde (aldus: ‘De Zwemkroniek’).

Ans werd zoals bekend lerares lichamelijke opvoeding. Dat zal de reden zijn dat zij in december 1919 toetrad als lid van haar beroepsvereniging (aldus: ‘De Lichamelijke Opvoeding’, het orgaan van de Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers (L. en M.O.) in Nederland en hare afdeelingen). In april 1933 kon men bij haar aan de Willemsparkweg 25 kaartjes kopen voor het tweede lustrum der N.I.L.O.-club, aldus hetzelfde blad.

Van Cornelia Nicolette (Coks) Sturkop (1910-1928) was bekend dat zij was geselecteerd voor het schoonspringen van de Olympische Spelen 1928. Van haar zijn in de periode van 1926 (toen was zij vijftien jaar) tot 1930 berichten over haar behaalde plaatsen bij wedstrijden, soms met vermelding van de sprongen die zij maakte. Deze meldingen vullen de al bestaande grote verzameling aan (aldus: ‘De Zwemkroniek’).

Het boek over dr. Stephan Sturkop (1882-1953) behandelt alle onderwerpen waarover in deze nieuwe vrijgave wordt bericht en voegen dus nauwelijks iets daaraan toe. (Voor de goede orde: in dat boek wordt beschreven dat de berichtgeving vanuit de socialistische en vooral uit de communistische hoek tendentieus was.) Er is een ingezonden stuk met een klacht (juni 1920) over de ziekteverzekering, met als voorbeeld dr. Stürkop, ‘die in staat is elke waarachtig zieke voor simulant aan te kijken en alzo te behandelen’. Ondertekend door ‘Een van de voorkomende simulanten’. Een ander artikel (1924) meldt: ‘Minder goed is een andere kerel van stavast er afgekomen [] de klacht over dr. Sturkop, die als controlerend geneesheer van het postpersoneel er in slaagde om doden, die veinsden nog levend te zijn, weer naar het werk – niet aan het werk – te jagen.’ (aldus: ‘Grafisch weekblad’). Ook is er een lang artikel (1932) over de Bierbrouwerij ‘De Amstel’, waar dr. Stürkop als controlerend geneesheer ‘inging tegen een briefkaart van de huisarts, waarin stond dat zijn patiënt niet bij de controlerend geneesheer hoefde te komen. Nadat de arbeider hersteld was meldde hij zich bij dr. Sturkop om aan het werk te gaan. Toch hield de werkgever enkele uren van ’s mans loon in.’ (aldus: ‘De fabrieksarbeider’). De overige berichten waren al uit andere bronnen bekend.

Verreweg de meeste hits betreffen Nicolaas Robbert (Nico) Sturkop (1888-1972), jongere broer van de bovengenoemde Stephan en oom van Stephans dochters Ans en Coks). Alleen al van hem zijn er meer dan veertig hits. Zijn carrière als schoonspringer en elders in de zwemsport van Nederland en Nederlands Oost-Indië is in de boeken uitvoering belicht, maar de nu uitgekomen artikelen voegen nog tamelijk veel toe.

Ook kwamen tot nu toe onbekende foto’s aan het licht, alle genomen in Soerabaja:

Het lijkt er sterk op dat het schoonspringen deels zijn oorsprong vond in het turnen: (1913) Nico Sturkop was een turner, die als beste waterspringer wordt genoemd. Men stelt dat ‘deze schone sport bijna uitsluitend door turners in praktijk kan worden gebracht’. Regelmatig worden zijn successen toegelicht in turnkringen, zoals wanneer hij wordt genoemd als Nederlands kampioen in een internationale wedstrijd. Men trekt de vergelijking met het gelidsturnen aan de toestellen. ‘Wordt nog steeds niet geëvenaard in zijn verrichtingen in een sierlijke lichaamshouding.’ In de loop der jaren volgen de turners vaker zijn verrichtingen, getuige de volgende citaten: ‘Onze reeds jarenlange kampioen van Nederland, de heer Stürkop, heeft door deze eigenschappen veel voor op zijn, in het algemeen lichter in gewicht zijnde tegenstanders. Zijn lichaam zweeft na elke afsprong steeds prachtig omhoog, om daarna het overige gedeelte van de sprong uit te voeren, wat meestal uitstekend en zonder de minste foutieve houding gelukt. Zijn sprongen zijn altijd zeldzaam mooi, zijn springen is werkelijk ‘”schoonspringen’’’; ‘ ‘Bijna allen zijn turners van “Plato”, behalve de heer Sturkop lid van de zwemclub “De Jonge Kampioen”, uitstekend geoefend en prachtig springer’; ‘Ik werd ontvangen met een 1½ salto van Nico Sturkop. Voor de sprongen van de grote kampioen neem ik nog altijd diep mij hoed af; met medewerking van zo’n springer moet een zwemfeest altijd slagen.’ En: ‘met Sturkop aan het hoofd als de beste springer uit Nederland, die reeds 15 jaar het springen beoefend heeft.’ Dit laatste toont dat Nico als rond de eeuwwisseling het turnen verruilde voor het schoonspringen (aldus: ‘Turnblad’).
Het volgende komt uit nummers van ‘De Zwemkroniek’:
Er zijn weer veel verslagen en uitkomsten van wedstrijden schoonspringen, waarbij Nico de hoofdprijs behaalde en/of demonstraties gaf. Vanaf rond 1916 deed hij kennelijk niet meer mee aan wedstrijden (hij was al een eindje in de dertig). Hij werd nog vaak ten voorbeeld gesteld: ‘Zie daarvoor onze vriend Sturkop! die na elke afsprong prachtig omhoog zweeft [] Deze vaardigheid heeft hij echter pas na jarenlange oefening verkregen en nog steeds moet dit onderhouden worden, om er niet uit te raken.’ Demonstraties werden ook regelmatig buiten Amsterdam gegeven en na zijn vertrek naar Java in Nederlands Oost-Indië. Nico was vanaf 1914 ook scheidsrechter bij waterpolowedstrijden en floot soms wekelijks voor de eerste, tweede en derde klasse van de nationale competitie. We wisten al dat hij eerder zelf aan deze sport had meegedaan. In 1915 werd hij lid van de waterpolocommissie van de Nederlandsche Zwembond. Verder was hij jurylid bij het schoonspringen. Al deze bezigheden verrichtte hij ook na zijn vertrek naar Indië. In dat land gaf hij eveneens les aan scheidsrechters.
Een voorbeeld van zijn schrijfstijl, niet eens zo ouderwets, in een ingezonden stuk van zijn hand: ‘Tot mijn grote verwondering las ik in de ‘Zwemkroniek’ dat de zwemvereniging ‘Het Y’ de voor de wedstrijd vastgestelde verplichte sprongen is gaan wijzigen, gelet op de bezwaren die door de schoonspringer ingebracht. Ik kan mijn niet voorstellen welke bezwaren door springers kunnen worden ingebracht, wanneer de sprongen uitgeschreven zijn volgens de door de Nederlandsche Zwembond vastgestelde springtabel. Wat zal het Y-bestuur nu doen, wanneer tegen de thans verplicht gestelde sprongen ook weer eens bezwaren worden ingebracht? Ik vind het dan ook wel bijzonder vriendelijk, dat een vereniging voor enige deelnemers het programma wil wijzigen.’
In het boek was al verteld dat Nico zich op Java inzette Nico in als organisator van de zwemsport. Net zoals zijn oudere broer spat zijn inzet als bestuurder en motor ervan af.
In december 1928 hield het blad een interview met Nico, die op verlof was in Nederland. We krijgen een inkijkje in zijn kamer en in zijn persoon: ‘Zodra we hoorden, dat de ongeslagen oud-kampioen schoonspringer Nico Sturkop weer uit Indië in ons land was teruggekeerd, hebben we hem dadelijk eens opgezocht. Als je zo bij hem thuis komt, in zijn gezellige werkkamer, zou je niet zeggen, dat hij al acht jaar weg geweest is. Hij ziet er uit als Hollands welvaren, helemaal niet bruin getint, nog even dik als vroeger, kortom alsof hij nooit naar de Nederlandse overzeese bezittingen was geweest. Zijn bureau ligt vol snuisterijen en nuttige voorwerpen welke alle zonder onderscheid een stukje zwemsportgeschiedenis vertegenwoordigen. Tot zelfs een paar flinke zilveren bekers toe. De muurwanden waren “behangen” met vele gelijste foto’s, alsmede een lijst met medailles, waarop er meer dan 50 achter glas pronkten en getuigden van een druk zwemmersleven. En hoe gaat het met de zwemsport in Indië, zo vroegen we? Daarboven staat de Nederlandsch-Indische Zwembond. Volgens de heer Sturkop zou deze bond voor Indië moeten zijn was de F.I.N.A. is voor Europa. Wanneer er door een zwemmer een Indisch record gemaakt wordt bij een van deze bonden, dan zal de N.I.Z.B. dat natuurlijk ook homologeren. Hoe gaat het met de polocompetities? Kon dat maar. Als je een wedstrijd moet spelen tegen een club die zo ver weg is las van Amsterdam naar Marseille, dan komt er van een polocompetitie niet veel terecht. Jullie Hollanders hebt geen flauw idee hoe groot Indië is’. Dat de afstanden werkelijk een hindernis vormden blijft wel uit een bericht uit 1934. In een oproep aan oud-Indische zwemsporters voor een herdenkingswedstrijd ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Nederlands-Indische Zwembond mijmert men: ‘Wie uwer denkt niet terug aam de tijd, dat wij voor één polomatch 28 uur in de trein zaten’. Ondertekend door het bestuur van Nederlands-Indische Zwembond, onder wie N. Sturkop te Soerabaja.
Er word veelvuldig gemeld dat Nico zich stevig inzette voor organisatie van de zwemsport in Indië. Maar in 1935 trad hij af als president van de Oost-Java Zwembond. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot erelid van de Nederlands-Indische Zwembondmede, mede vanwege zijn grote inzet voor de promotie en het faciliteren voor het grote publiek van de zwemsport.
Tot slot: wanneer je als schoonspringer kampioen van Indië werd, dan kon je de Sturkop-wisselbeker winnen.

Dr. Stephan Sturkop – Aanvullingen

Onderscheidingen – Functies – ‘Geheimzinnig Tibet’

(betreft Deel III – hoofdstuk 22) Er staat een extra opsomming in het boek ‘De Nederlandsche ridderorden, 1900-1936’  van zijn onderscheidingen:
Officier in de Orde van Oranje-Nassau;
Kruis van Verdienste Nederlandse Rode Kruis;
Mobilisatiekruis; Medaille van het Duitsche Roode Kruis;
Eremedaille van het Duitsche Roode Kruis;
Ridder der Orde van het Legioen van Eer Frankrijk;
Officier der Orde van het Herstelde Polen (Polonia Resituta);
Medaille de la Reconnaissance Francaise.
In dat boek staat tevens een overzicht van zijn functies: Lees “Dr. Stephan Sturkop – Aanvullingen” verder

Maurice Adler

Over de Europees kampioen wielrennen en ondernemer Maurice (Maurits) Adler is veel informatie (zie aldaar) opgedoken. Daardoor ontstaat ook meer inzicht in de interesse van vader en zoon Isaäc en Stephan Roeg en hun naasten (betreft Deel III – hoofdstuk 22).