Voetbalconnecties

Over Nanny (Ferdinande Pauline Victorine) Ball, de echtgenote van Bertus Stom, weten we inmiddels dat haar moeder getrouwd was met de weduwnaar Hermanus Bernhardt Willem Bakhuijs. Nanny en haar moeder woonden bij hem in Den Haag. Zo werd zij een soort halfzus van Hermanus’ zoon Beb Bakhuijs, voor de Tweede Wereldoorlog misschien de meest bekende voetbalinternational. Nanny was in Indië geboren, kwam met haar moeder naar Nederland en vertrok in 1920 samen met haar terug naar Indië. We weten dat zij daar trouwde met Bertus (Ben) Stom en de connectie is opeens weer iets meer helder: ook Ben Stom was immers voetbalinternational geweest.

Analyse gezin Schreeuwert et al

Isaac Emanuel Schreeuwert en zijn zoon Emanuel Isaac traden op als getuigen bij een geboorte en een overlijdensgeval in het gezin van hun buurvrouw in de Verwerstraat Sara Hijman Sturhoff (Sturhoofd). Vandaar enig onderzoek naar die familie. Het startpunt was de naamsaanneming.
Het zoeken wordt sterk bemoeilijkt door de grote variatie in de spelling van de naam en soms werden zelfs geheel andere namen gebruikt, zoals: Schreeuwer, Schrewert, Schreever, Schreuver, Cohen, Cohen Schrewert, Amesfoort, e.a.

Isaac Emanuel Schreeuwert en Beletje Levie Visschraper (beiden nog zonder de later aangenomen familienamen) traden in 1804 in ondertrouw – er werd echter niet gecompareerd –, toen ze al op Marken in de Verbrande Bakkergang woonden.

Commentaar: naamsaanneming.
Sterk de indruk dat niet te veel waarde moet worden gehecht aan de namen van de drie kinderen Schreeuwert die bij de naamsaanneming in 1811 werden genoemd:
1 – Hannaatje, geboren rond 1804.
2 – Kaatje, geboren rond 1806.
3 – Jannetje, geboren rond 1809.

Bekend is dat:
a – de ambtenaar vaak maar iets opschreef, ook al omdat de namen met Jiddische tongval niet helemaal werd verstaan;
b – de Nederlandse namen niet overeenstemden met de voornamen die in Joodse kring werden gebruikt;
c – soms dezelfde voornaam werd gebruikt voor meerdere kinderen in hetzelfde gezin; zie mijn artikel op https://sturkop.nl/publicaties/

Wat die kinderen betreft (de volgende conclusies zijn niet 100% zeker, maar m.i. de meest waarschijnlijke):

1 – Hannaatje (1804): die naam is in de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister later niet meer aangetroffen. Wel is er een overlijdensakte uit 1817 van Hanna Emanuel Amersfoort. Volgens een andere genealoog is dit Hanna Schreeuwert is. De naam Amersfoort werd vaker in de familie gebruikt. De leeftijd is 13 jaar en haar ouders zijn Emanuel Isaac Amerfoort en Diena Levie.
Aanname: ‘Hannaatje’ is op de leeftijd van 13 jaar is gestorven.

2 – Kaatje (1806): ook die naam is in de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister later niet meer aangetroffen. Wel komt Jansje Emanuel Schreeuwert voor en volgens alle akten en registers stamt zij uit 1806. In ‘Joodse voornamen in Amsterdam’ komen Kaatje en Jansje niet als synoniemen voor. Maar ‘Kaatje’ is wel de enige die in aanmerking komt om later burgerlijk als ‘Jansje’ door het leven te gaan.
Aanname: ‘Kaatje’ is degene is die later als ‘Jansje’ door het leven gaat.

3 – Jannetje (1809): ook die naam is in de Burgerlijke Stand en het Bevolkingsregister later niet meer aangetroffen. Daarentegen zien we Judik Emanuel Schreeuwer. ‘Judik’ is een bekend synoniem voor ‘Jannetje’. Aangenomen wordt dat ‘Jannetje’ degene is die later als ‘Judik’ door het leven gaat. Dit wordt nog versterkt door het volgende. In 1812 wordt Judic Emanuel Schrewert geboren; het kind overlijdt in 1813. Overigens kwam ‘Jannetje’ op 20-11-1909 als ‘Judith Emanuel Cohen-Amisfoort’ ter wereld. Met als andere naam: Jent. Dat lijkt wel erg op ‘Jannetje’.
Aanname: ‘Jannetje’ uit 1809 wordt na dit overlijden verder ‘Judik’ genoemd.
De namen in mijn genealogisch bestand dienovereenkomstig aangepast, met behoud van de bovengenoemde aliassen uit 1811.

De levens van Jansje (was: Kaatje) en Judik (was: Jannetje) zijn daardoor verder goed te volgen.

Andere kinderen:
Dochter Judic Emanuel Schrewert (1812-1813). Zie hierboven.
– Er zou een zoon Jacob Emanuel zijn geweest, met de achternaam Schreever. Van hem geen gegevens in de Burgerlijke Stand gevonden.
– Dochter Sara Emanuel Schreuver (1815-1816).
– Zoon Abraham (1825-1828).

Volwassen geworden dochters.
Van de kinderen werden dus alleen Jansje en Judik volwassen. Van Judik – die in Rotterdam woonde – vond ik geen overlijdensgegevens. Beide dames hadden – evenmin als hun ouders – geen rijk leven.
Jansje woonde en overleed in de arme buurten. Zij verdiende na de dood van haar veel oudere man, kort na hun huwelijk, de kost als wattenkaartster. In 1840 was zij al de ongehuwde moeder geworden van een zoon; met haar echtgenoot kreeg zij in 1851 nog een zoon.
Judik trouwde in Rotterdam met een muzikant die haar verliet en zij werd daar – als ‘verlaten huisvrouw – kroeghoudster. Later keerde zij terug naar Amsterdam, om ten slotte in 1881 weer in de Maasstad te belanden.

Verscheurd gezin?
De geboorte van de bovengenoemde Abraham Schreeuwer werd aangegeven door een vroedvrouw en twee bekenden van de moeder. Dus niet door de vader. Die vader wordt ook helemaal niet genoemd in de akte; Abraham is de zoon van Beletje Levie Schreeuwer. Als hij drie jaar later in Ommen sterft, dan wordt zijn vader Emanuel Isaac Schreeuwer wél genoemd. Abrahams moeder en hijzelf vertoeven dan in de Kolonie De Ommerschans (een ‘Kolonie van Weldadigheid’, waar bedelaars, landlopers en ‘onwilligen’ gedwongen werden tewerkgesteld), terwijl de vader Emanuel in Amsterdam als visdrager aan de slag zou zijn.
In 1829 wordt Abrahams overlijden echter ingeschreven in Amsterdam en dan wordt hij wél genoemd als zoon van Emanuel Schreeuwer en van Belletje Levie, koloniste in Ommerschans.

Lot van Emanuel Isaac Schreeuwer.
De overlijdensgegevens van Emanuel Isaac Schreeuwer heb ik niet kunnen traceren, misschien vooral vanwege de vele naamvarianten. Zeker is dat hij in 1828 nog leefde en in 1850, toen hun beide dochters trouwden, niet meer. De bijlagen bij het huwelijk van hun dochter Jansje bevatten geen overlijdensgegevens van haar ouders. Dochter Judik trouwde in Rotterdam.

Lot van Beletje Levie Vischschaper.
Ik stuitte op haar overlijdensakte: Beletje stierf op 21 januari 1848 in Amsterdam, als weduwe van Emanuel Schreeuwert. Aan www.bonmama.nl danken wij de informatie over haar leven in de ‘Kolonie van Weldadigheid’. Zij en haar zoontje Abraham werden op 24 november 1827 ingeschreven in het bedelaarsregister van de Kolonie ‘De Ommerschans’. Het lijkt erop dat het gezin zonder inkomen zat en dat Beletje is opgepakt wegens bedelen, maar ze kan ook alleen zijn komen te staan. Een van de weinige malen dat men uit die tijd een signalement van een vrouw tegenkomt: 1.40 m., grijsachtig haar, blauwe ogen, platte neus, een gewone mond gewoon en een ronde kin.
Op 15 augustus 1831 werd zij overgeplaatst naar het meer algemeen bekende Veenhuizen, waar zij op 21 april 1834 werd ontslagen. Beletje had wellicht een vak geleerd of in Amsterdam werden inmiddels betere omstandigheden voor haar verondersteld. Zij zal zijn teruggekeerd naar de hoofdstad. Het huwelijk van haar beide dochters heeft zij niet meer meegemaakt.

De genealogische gegevens worden bijgehouden via updates op mijn website. De eerstvolgende update is gepland voor de herfst 2019.

Arrestatie gezin Brisz

Er dook een politierapport op d.d. 21 augustus 1942 (met dank aan prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld c.s. van Tilburg University): om 8 uur in de avond stelden twee politiemannen een onderzoek in in de woning van het Tilburgse echtpaar Coolen-Oomen in de Atelierstraat 87. Zij hadden Joden verborgen. De agenten troffen de bewoonster aan, samen met Chaja Cywia Zoludkowska. Zij was geboren op 21 augustus 1894 in Kalsch, Polen. Het woonadres van Chaja en haar echtgenoot was Sarphatistraat 205 een hoog in Amsterdam. (Extra wrang feit: de arrestatie vond plaats op Chaja’s verjaardag.) Op de vliering vond men ook Chaja’s man en zoon: Eljasz Brisz, geboren te Lodz op 25 februari 1899, koopman en Gerszon Brisz, geboren te Kalisz, Polen op 23 februari 1922, bedrijfsleider. De bewoonster en haar drie onderduikers werden naar het Hoofdbureau van Politie overgebracht. Om 10 werd ook de bewoner zelf daar afgeleverd.
Nader onderzoek wees uit dat het echtpaar Coolen-Oomen de oorlog heeft overleefd. Het was me al bekend dat Eljasz Brisz in augustus 1942 in de gevangenis van Den Bosch was beland en dat deze drie Joodse mensen niet lang nadien in de vernietigingskampen waren vermoord. Zij waren de ouders en de broer van Sonja Sturkop-Brisz alias Brisch.
Voor hun verhuizing in 1938 naar Amsterdam woonden zij in diezelfde Atelierstraat, op nummer 87.

Pension Van Straalen

Dit artikel fungeert mede als oproep, in de hoop dat de zoekmachines de aandacht van nazaten van de onderstaande personen hierop vestigen:

Bij het onderzoek naar mijn grootmoeder Van Straalen en haar familie stuitte ik op de mooie website https://www.parkenbuurt.nl/. Daar valt te lezen dat aan de Loolaan 44 vanaf 1945 het pension ‘Huize van Straalen’ was gevestigd. Dit pension heeft daar vanaf 1945 gestaan. Een kijkje in ons stadsarchief vertelt ons dat zes leden van het gezin Van Straalen daar ook woonden. Voor mij handig in de buurt: tien minuten wandelen vanaf mijn adres.
Ik was deze familie lang ‘kwijt’. Hun spoor liep dood nadat zij in Arnhem hadden gewoond.

Eerst maar even ver terug in de tijd. De oprichter Johannes Willem van Straalen werd in 1857 in Amsterdam geboren, in een straatarm gezin. Net zoals zijn oudere broer werd hij kok bij de Marine, maar wegens ongeschiktheid verloor hij, na enkele verre reizen, zijn baan. In 1885 vertrok JW met zijn vrouw naar Zutphen en daar kwamen hun vijf kinderen ter wereld. In Zutphen begon JW een restaurant annex pension, dat zij tot 1912 als Hotel Van Straalen in bedrijf hielden:

De reden dat zij naar Arnhem vertrokken is niet achterhaald, maar JW zette daar met zijn echtgenote en drie kinderen het Pension Van Straalen voort. Men kon daar trouwens uitstekend dineren en – avant le lettre – maaltijden aan huis bestellen. Dochter Anna en zoon Pieter waren in Zutphen al het onderwijs ingegaan. Bij toeval ontdekte ik een foto van een door oorlogsgeweld verwoeste Korte Walstraat in Arnhem, waar het huis van Van Straalen troosteloos in een lange rij andere ruïnes stond. De reden dat het bedrijf daarmee verloren was gegaan is daarmee wel duidelijk. JW en zijn vijf kinderen bleken na 1945 nog te leven, dus geen der gezinsleden had daardoor het leven had gelaten.

In Arnhem hield het spoor per 1945 op, maar dat blijkt nu vlak bij huis verder te volgen. Zij zetten in Apeldoorn dus voor een derde maal een bedrijf op. JW liep bij aankomst in onze stad al tegen de negentig. Zijn dochters Zwanette en Gerardina en Jan, de jongste zoon, namen gezamenlijk de zaak over c.q. werkten erin mee. Al niet meer de jongsten: zoon Jan was de vijftig al gepasseerd. Successievelijk vestigden ook Anna en Pieter zich aan de Loolaan 44. Van Pieter (hij was leraar MO) is bekend dat hij en zijn echtgenote later aan de Felualaan woonden. JW is in 1952 overleden. Hij is bijna de enige in zijn generatie Van Straalen en de daarop volgende die aan de armoede wist te ontkomen.
Uit de overlijdensannonce van Anna (ze werd 101 jaar en overleed in Randerode) kunnen we opmaken dat geen der nazaten in 1990 nog in Apeldoorn woonde. Drie van hen woonden in het buitenland, drie anderen in andere plaatsen in ons land. We zullen proberen nog iets nader te weten te komen over deze onderneming, die tot 1965 in aan de Loolaan in stand bleef. Overigens kon men daar voor f. 7,50 overnachten.

Het is vreemd dat in onze familie naar mijn weten nooit over deze oom, tante, neven en nichten is gesproken. Als men van hen had geweten, dan zou het bombardement toch wel onderwerp van gesprek moeten zijn geweest. En het succes van oom JW zou aanleiding hebben gegeven tot opmerkingen daarover. Het is niet onmogelijk dat JW en zijn oudere broer, Paul Emile van Straalen, van elkaar waren vervreemd. Paul Emile, mijn overgrootvader, was scheepskok, later bij de wilde vaart en hij verliet zijn nogal grote gezin, om nooit meer terug te keren. Dat kan de reden zijn geweest dat ‘onze’ zijde nooit van de hunne heeft geweten.

Ik heb één flauwe hoop: mochten de ouderen onder ons zich nog iets van de gezinsleden herinneren, of bijvoorbeeld Pieter als docent hebben gehad, dan houd ik mij aanbevolen: ko@sturkop.nl. En wie weet kent iemand nog een nazaat, die wellicht nog mooie foto’s of verhalen heeft. In elk geval woonde in 1978 aan de Loolaan 27 nog de echtgenote van Pieter van Straalen. Zij overleed op dat adres; haar schoonzus en zwager Anna en Jan van Straalen ondertekenden mede vanuit Apeldoorn de overlijdensannonce.

Zo (groot)vader zo (klein)zoon

Altijd gedacht dat wij een vredelievend geslacht waren. Maar dan die vonnissen!

Mijn overgrootvader Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 26) verschijnt in november 1878 niet ter rechtszitting, maar wordt veroordeeld (verzachtende omstandigheden) tot een geldboete van 25 gulden c.q. een gevangenisstraf van 5 dagen. Hij had in de kantine van diamantslijperij Citroen aan de Jodenbreestraat moedwillig aan Salomon Asser Cohen met de vuist enige slagen in het aangezicht toegebracht. De klager was portier bij dit bedrijf en verklaarde onder ede dat hij geen aanleiding had gegeven tot die vuistslagen. Gelukkig had hij er geen ernstig letsel aan overgehouden, vandaar die verzachtende omstandigheden.
Afgezien van de losse handjes weten we gelijk bij wie hij werkte. Overigens noemde hij zich zowel Jacobus als Kobus, dus het laat zich aanzien waar ik mijn voornaam aan ontleen. Overigens in een lange rij tot in de achttiende eeuw.

Maar zijn vader kon er ook wat van: hij wordt ruim drie jaar eerder eveneens veroordeeld wegen het uitdelen van klappen. De politie was eraan te pas gekomen. Mozes Koopman Sturkop (Deel II – hoofdstuk 9) is net als zijn zoon diamantslijper. Op een januarizaterdag wandelde hij in de Weesperstraat en daar werd aan een zekere Salomon van Jacob de Leon moedwillig met de vuist een slag tegen de linkerwang toegebracht, waardoor laatstgenoemde hevig uit de mond gebloed had. Volgens de klager gebeurde dit na een meningsverschil tussen hen. Een getuige bevestigde dit onder ede. Gezien de minder ernstige gevolgen gaf dit aanleiding tot verzachtende omstandigheden. Betoveropa werd veroordeeld tot 15 gulden geldboete, indien niet op tijd betaald vervangend een gevangenisstraf van 4 dagen.

Maar ook diens vader liet van zich horen. Tegen Koopman Alexander Sturkop (Deel I – hoofdstuk 20) werd in augustus 1855 de klacht ingediend dat hij ‘ter beurze alhier’ aan een menigte aldaar verzamelde Israëlieten zou hebben toegevoegd dat zij geen vlees meer moesten kopen bij de klager, omdat deze daags tevoren onrein vlees (aan de kerkelijke wet niet voldaan) als rein aan Israëlieten had verkocht, hetgeen zijn niet mochten eten. Onze voorouder kwam er beter vanaf dan zijn zoon en zijn kleinzoon: ‘hetgeen noch wettig noch overtuigend bewezen was’. De beklaagde werd vrijgesproken.

Stephan Sturkop – Hulp aan Franse kinderen

In ‘Journal Officiel’ d.d. 11-7-1919 staat Stephan Sturkop (Zie Deel III – hoofdstuk 22), Nederlander, ‘aide-major’ 1ste klasse in het Nederlandse leger: heeft sinds januari 1918 gratis zijn zorg aan een groep van 50 Franse kinderen gegeven via een Amsterdams comité t.b.v. ziekenhuiswerk; heeft grote toewijding getoond tijdens een anginaepidemie en besmettelijke griep.

Isaäc Sturkop per rijwiel

In ‘Touring-club de France’ d.d. 15-10-1896 vond ik als kandidaat-lid voor de Franse wielerbond: J. Sturkop, fabrikant, Achtergracht 3. Dit betreft Isaäc Sturkop (Zie Deel II – hoofdstuk 29), de diamantair, van wie wij weten dat hij in 1895 samen met zijn zoon Stephan werkend lid was geworden van de ANWB. Het lijdt weinig twijfel dat hij werd geïnspireerd door zijn aangehuwd familielid Maurice Adler, die o.m. wereldkampioen op de driewieler was.

Cornelia de Levita

In het ‘Verslag van den staat van het onderwijs in het Koninkrijk der Nederlanden over 1924 staat: bij School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Kunstambachten te Haarlem: ‘Wat verdienden zij (1) nadat zij de school verlaten hadden; (2) één jaar na hun vertrek in 1921; (3) twee jaar na hun vertrek in 1922’ bij Mej. C.J. de Levita ad. 1: f. 80 per maand; ad. 2: f. 100 per maand’; ad. 3: f. 125 per maand. Dit betreft de architecte Cornelia Josine de Levita (Zie Deel III – hoofdstuk 4).

Nieuws uit de tijdschriften

In maart 2019 voegde www.delpher.nl een groot aantal oude tijdschriften toe aan haar digitale collectie. De naam Sturkop scoorde 93 hits; Sturhoofd geen enkele. Vele berichten gingen over de zwemsport en over dr. Stephan Sturkop, maar er waren ook enkele andere bij. Een klein aantal kan niet worden via internet worden ingezien. Daarvoor moet men naar de Koninklijke Bibliotheek, omdat ze van te recente datum zijn (na 1939).

Alexander Sturkop (1898-1943), zoon van Isaäc Sturkop en Maria Hont, van wie bekend was dat hij toentertijd in Den Haag als magazijnbediende werkte, werd in augustus 1921 als voorzitter gekozen van de Vakgroep Winkel- en Magazijnbedienden (aldus ‘Onze strijd’, het orgaan van den Algemeenen Nederlandschen Bond van Handels- en Kantoorbedienden).

Dat Cornelia Nicolette (Coks) Sturkop zo bedreven was in het schoonspringen was bekend, maar ook haar tweelingzus Anna Stephanie (Ans) Sturkop (1910-1994) deed in haar jonge jaren aan zwemsport. In januari deed mee zij tijdens het Winterzwemfeest van de H.D.Z. (Hollandsche Dames Zwemclub in het Zuiderbad te Amsterdam en zwom de 25 meter vrije slag voor nieuwelingen, in 18 3/5 seconde (aldus: ‘De Zwemkroniek’).

Ans werd zoals bekend lerares lichamelijke opvoeding. Dat zal de reden zijn dat zij in december 1919 toetrad als lid van haar beroepsvereniging (aldus: ‘De Lichamelijke Opvoeding’, het orgaan van de Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers (L. en M.O.) in Nederland en hare afdeelingen). In april 1933 kon men bij haar aan de Willemsparkweg 25 kaartjes kopen voor het tweede lustrum der N.I.L.O.-club, aldus hetzelfde blad.

Van Cornelia Nicolette (Coks) Sturkop (1910-1928) was bekend dat zij was geselecteerd voor het schoonspringen van de Olympische Spelen 1928. Van haar zijn in de periode van 1926 (toen was zij vijftien jaar) tot 1930 berichten over haar behaalde plaatsen bij wedstrijden, soms met vermelding van de sprongen die zij maakte. Deze meldingen vullen de al bestaande grote verzameling aan (aldus: ‘De Zwemkroniek’).

Het boek over dr. Stephan Sturkop (1882-1953) behandelt alle onderwerpen waarover in deze nieuwe vrijgave wordt bericht en voegen dus nauwelijks iets daaraan toe. (Voor de goede orde: in dat boek wordt beschreven dat de berichtgeving vanuit de socialistische en vooral uit de communistische hoek tendentieus was.) Er is een ingezonden stuk met een klacht (juni 1920) over de ziekteverzekering, met als voorbeeld dr. Stürkop, ‘die in staat is elke waarachtig zieke voor simulant aan te kijken en alzo te behandelen’. Ondertekend door ‘Een van de voorkomende simulanten’. Een ander artikel (1924) meldt: ‘Minder goed is een andere kerel van stavast er afgekomen [] de klacht over dr. Sturkop, die als controlerend geneesheer van het postpersoneel er in slaagde om doden, die veinsden nog levend te zijn, weer naar het werk – niet aan het werk – te jagen.’ (aldus: ‘Grafisch weekblad’). Ook is er een lang artikel (1932) over de Bierbrouwerij ‘De Amstel’, waar dr. Stürkop als controlerend geneesheer ‘inging tegen een briefkaart van de huisarts, waarin stond dat zijn patiënt niet bij de controlerend geneesheer hoefde te komen. Nadat de arbeider hersteld was meldde hij zich bij dr. Sturkop om aan het werk te gaan. Toch hield de werkgever enkele uren van ’s mans loon in.’ (aldus: ‘De fabrieksarbeider’). De overige berichten waren al uit andere bronnen bekend.

Verreweg de meeste hits betreffen Nicolaas Robbert (Nico) Sturkop (1888-1972), jongere broer van de bovengenoemde Stephan en oom van Stephans dochters Ans en Coks). Alleen al van hem zijn er meer dan veertig hits. Zijn carrière als schoonspringer en elders in de zwemsport van Nederland en Nederlands Oost-Indië is in de boeken uitvoering belicht, maar de nu uitgekomen artikelen voegen nog tamelijk veel toe.

Ook kwamen tot nu toe onbekende foto’s aan het licht, alle genomen in Soerabaja:

Het lijkt er sterk op dat het schoonspringen deels zijn oorsprong vond in het turnen: (1913) Nico Sturkop was een turner, die als beste waterspringer wordt genoemd. Men stelt dat ‘deze schone sport bijna uitsluitend door turners in praktijk kan worden gebracht’. Regelmatig worden zijn successen toegelicht in turnkringen, zoals wanneer hij wordt genoemd als Nederlands kampioen in een internationale wedstrijd. Men trekt de vergelijking met het gelidsturnen aan de toestellen. ‘Wordt nog steeds niet geëvenaard in zijn verrichtingen in een sierlijke lichaamshouding.’ In de loop der jaren volgen de turners vaker zijn verrichtingen, getuige de volgende citaten: ‘Onze reeds jarenlange kampioen van Nederland, de heer Stürkop, heeft door deze eigenschappen veel voor op zijn, in het algemeen lichter in gewicht zijnde tegenstanders. Zijn lichaam zweeft na elke afsprong steeds prachtig omhoog, om daarna het overige gedeelte van de sprong uit te voeren, wat meestal uitstekend en zonder de minste foutieve houding gelukt. Zijn sprongen zijn altijd zeldzaam mooi, zijn springen is werkelijk ‘”schoonspringen’’’; ‘ ‘Bijna allen zijn turners van “Plato”, behalve de heer Sturkop lid van de zwemclub “De Jonge Kampioen”, uitstekend geoefend en prachtig springer’; ‘Ik werd ontvangen met een 1½ salto van Nico Sturkop. Voor de sprongen van de grote kampioen neem ik nog altijd diep mij hoed af; met medewerking van zo’n springer moet een zwemfeest altijd slagen.’ En: ‘met Sturkop aan het hoofd als de beste springer uit Nederland, die reeds 15 jaar het springen beoefend heeft.’ Dit laatste toont dat Nico als rond de eeuwwisseling het turnen verruilde voor het schoonspringen (aldus: ‘Turnblad’).
Het volgende komt uit nummers van ‘De Zwemkroniek’:
Er zijn weer veel verslagen en uitkomsten van wedstrijden schoonspringen, waarbij Nico de hoofdprijs behaalde en/of demonstraties gaf. Vanaf rond 1916 deed hij kennelijk niet meer mee aan wedstrijden (hij was al een eindje in de dertig). Hij werd nog vaak ten voorbeeld gesteld: ‘Zie daarvoor onze vriend Sturkop! die na elke afsprong prachtig omhoog zweeft [] Deze vaardigheid heeft hij echter pas na jarenlange oefening verkregen en nog steeds moet dit onderhouden worden, om er niet uit te raken.’ Demonstraties werden ook regelmatig buiten Amsterdam gegeven en na zijn vertrek naar Java in Nederlands Oost-Indië. Nico was vanaf 1914 ook scheidsrechter bij waterpolowedstrijden en floot soms wekelijks voor de eerste, tweede en derde klasse van de nationale competitie. We wisten al dat hij eerder zelf aan deze sport had meegedaan. In 1915 werd hij lid van de waterpolocommissie van de Nederlandsche Zwembond. Verder was hij jurylid bij het schoonspringen. Al deze bezigheden verrichtte hij ook na zijn vertrek naar Indië. In dat land gaf hij eveneens les aan scheidsrechters.
Een voorbeeld van zijn schrijfstijl, niet eens zo ouderwets, in een ingezonden stuk van zijn hand: ‘Tot mijn grote verwondering las ik in de ‘Zwemkroniek’ dat de zwemvereniging ‘Het Y’ de voor de wedstrijd vastgestelde verplichte sprongen is gaan wijzigen, gelet op de bezwaren die door de schoonspringer ingebracht. Ik kan mijn niet voorstellen welke bezwaren door springers kunnen worden ingebracht, wanneer de sprongen uitgeschreven zijn volgens de door de Nederlandsche Zwembond vastgestelde springtabel. Wat zal het Y-bestuur nu doen, wanneer tegen de thans verplicht gestelde sprongen ook weer eens bezwaren worden ingebracht? Ik vind het dan ook wel bijzonder vriendelijk, dat een vereniging voor enige deelnemers het programma wil wijzigen.’
In het boek was al verteld dat Nico zich op Java inzette Nico in als organisator van de zwemsport. Net zoals zijn oudere broer spat zijn inzet als bestuurder en motor ervan af.
In december 1928 hield het blad een interview met Nico, die op verlof was in Nederland. We krijgen een inkijkje in zijn kamer en in zijn persoon: ‘Zodra we hoorden, dat de ongeslagen oud-kampioen schoonspringer Nico Sturkop weer uit Indië in ons land was teruggekeerd, hebben we hem dadelijk eens opgezocht. Als je zo bij hem thuis komt, in zijn gezellige werkkamer, zou je niet zeggen, dat hij al acht jaar weg geweest is. Hij ziet er uit als Hollands welvaren, helemaal niet bruin getint, nog even dik als vroeger, kortom alsof hij nooit naar de Nederlandse overzeese bezittingen was geweest. Zijn bureau ligt vol snuisterijen en nuttige voorwerpen welke alle zonder onderscheid een stukje zwemsportgeschiedenis vertegenwoordigen. Tot zelfs een paar flinke zilveren bekers toe. De muurwanden waren “behangen” met vele gelijste foto’s, alsmede een lijst met medailles, waarop er meer dan 50 achter glas pronkten en getuigden van een druk zwemmersleven. En hoe gaat het met de zwemsport in Indië, zo vroegen we? Daarboven staat de Nederlandsch-Indische Zwembond. Volgens de heer Sturkop zou deze bond voor Indië moeten zijn was de F.I.N.A. is voor Europa. Wanneer er door een zwemmer een Indisch record gemaakt wordt bij een van deze bonden, dan zal de N.I.Z.B. dat natuurlijk ook homologeren. Hoe gaat het met de polocompetities? Kon dat maar. Als je een wedstrijd moet spelen tegen een club die zo ver weg is las van Amsterdam naar Marseille, dan komt er van een polocompetitie niet veel terecht. Jullie Hollanders hebt geen flauw idee hoe groot Indië is’. Dat de afstanden werkelijk een hindernis vormden blijft wel uit een bericht uit 1934. In een oproep aan oud-Indische zwemsporters voor een herdenkingswedstrijd ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Nederlands-Indische Zwembond mijmert men: ‘Wie uwer denkt niet terug aam de tijd, dat wij voor één polomatch 28 uur in de trein zaten’. Ondertekend door het bestuur van Nederlands-Indische Zwembond, onder wie N. Sturkop te Soerabaja.
Er word veelvuldig gemeld dat Nico zich stevig inzette voor organisatie van de zwemsport in Indië. Maar in 1935 trad hij af als president van de Oost-Java Zwembond. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot erelid van de Nederlands-Indische Zwembondmede, mede vanwege zijn grote inzet voor de promotie en het faciliteren voor het grote publiek van de zwemsport.
Tot slot: wanneer je als schoonspringer kampioen van Indië werd, dan kon je de Sturkop-wisselbeker winnen.